Stoffenvragen


Lees hieronder vragen en antwoorden over de praktische uitvoering van REACH en CLP. Wilt u zoeken op een specifiek onderwerp? Gebruik dan de algemene zoekfunctie van deze site (rechtsboven).

Bent u VNCI-lid en heeft u een vraag over CLP of REACH? Neem dan contact op met stoffensecretaris Dirk van Well via vanwell@vnci.nl

Vraag: Waar vind ik de vertalingen van stofnamen?

Uit het antwoord op de vraag 'Wat moet ik doen met Engelse benamingen' blijkt dat de Nederlandse vertaling van de stofnaam op het etiket moet worden gebruikt. In deel 3 van bijlage VI van CLP zijn de internationale (Engelse) namen opgenomen. Waar vind ik de Nederlandse vertalingen ervan?

Antwoord:

De vertalingen in alle officiële talen van de EU van stoffen zijn te vinden in de zogenaamde C&L Inventory.

Vraag: Hoe meld ik een gevaarlijke stof in een ongevaarlijk mengsel?

In de vraag 'Hoe meld ik een oplossing van zout?' werd uitgelegd dat ik indelings- en etiketteringsinformatie moet melden (artikel 40 CLP) van de gevaarlijke stof in een geïmporteerd mengsel. Moet ik deze informatie in alle gevallen ook melden als het mengsel weliswaar een gevaarlijke stof bevat, maar het mengsel als zodanig niet als gevaarlijk is ingedeeld?

Antwoord:

Nee. Als de totale jaarlijkse hoeveelheid ingevoerde gevaarlijke stof minder is dan één ton, en de stof dus zelf niet hoeft te worden geregistreerd, dan is een melding niet nodig.

Vraag: Hoe meld ik een oplossing van zout?

Mijn onderneming importeert een oplossing van een zout in water. Welke indelings- en etiketteringsinformatie moet ik melden (artikel 40 CLP) bij het ECHA?

Antwoord:

Deze oplossing is in de zin van CLP een mengsel. In dit geval zal het oorspronkelijke zout (dat gebruikt is om de oplossing te maken) moeten worden gemeld, mits het zout voldoet aan de criteria in artikel 39:

  • het zout moet vanwege Reach worden geregistreerd, of
  • het zout voldoet aan de criteria voor indeling als gevaarlijk

Lees meer op de website van ECHA

Vraag: Moeten alle fabrikanten van een reeds gemelde stof een melding doen?

Voor de stof die ik van plan ben te maken en in de handel te brengen is al een melding gedaan (in de zin van artikel 40 van de CLP-verordening) door een andere fabrikant. Over de indeling en etikettering is verder geen discussie. Moet ik niettemin ook zelf een melding doen?

Antwoord:

Ja, dat moet. In principe moet elke rechtspersoon (de zogenaamde legal entity) die een stof in de handel brengt een melding doen binnen een maand nadat de stof in de handel is gebracht. CLP biedt wel de mogelijkheid aan fabrikanten en importeurs om als groep een melding te doen. In dat geval zal een vertegenwoordiger van de groep een melding doen namens andere leden van de groep. Daarbij meldt deze informatieverstrekker naast informatie over de stof ook informatie over de identiteit van de ondernemingen namens wie hij de melding doet.

Vraag: Welke CLP-informatie moet ik bewaren?

In de REACH-verordening staat de verplichting (artikel 36) voor een fabrikant, importeur of downstreamgebruiker om alle informatie die hij nodig heeft om aan de REACH-verplichtingen te voldoen, te verzamelen en ten minste 10 jaar beschikbaar te houden nadat hij de stof of het mengsel voor het laatst heeft vervaardigd, ingevoerd, geleverd of gebruikt. Geldt deze verplichting ook voor informatie die wordt gebruikt voor het indelen en etiketteren van stoffen (CLP)?

Antwoord:

Ja, in artikel 49 van CLP is bepaald dat de leverancier alle informatie die hij uit hoofde van CLP voor de indeling en etikettering heeft gebruikt, moet verzamelen en ten minste 10 jaar moet bewaren nadat de stof of het mengsel voor het laatst door de betrokken leverancier is geleverd. Bovendien is bepaald dat deze informatie samen met de vereiste informatie (artikel 36 van Verordening (EG) nr. 1907/2006) moet worden bewaard.

Vraag: Waarom verschillen CLP en de SZW-lijst? (1)

Het ministerie van Sociale zaken en Werkgelegenheid (SZW) houdt een lijst bij van kankerverwekkende stoffen waarop aanvullende voorschriften van het Arbeidsomstandighedenbesluit (artikelen 4.11-4.24) van toepassing zijn. Op deze lijst staan stoffen die moeten worden geclassificeerd als categorie 1a en 1b volgens de criteria van de CLP-verordening (Verordening (EG) Nr. 1272/2008). Deze lijst wordt regelmatig bijgewerkt en tweemaal per jaar in de Staatscourant gepubliceerd.

Een aantal van de in de lijst genoemde stoffen wordt in ons laboratorium gebruikt. Een van de leveranciers heeft zijn stof alleen ingedeeld als kankerverwekkend categorie 2 (en dus niet als 1a of 1b). Desgevraagd zegt de leverancier zich te baseren op CLP, want de betreffende stof is opgenomen in de Bijlage VI van de verordening en daar ingedeeld in categorie 2. Wat is hier aan de hand?

Antwoord:

De lijst van SZW bevat - naast stoffen die door de EU zijn ingedeeld als kankerverwekkend categorie 1a/1b en opgenomen in bijlage VI van Verordening EC 1272/2008 - ook stoffen die door de Commissie Werkgroep van Deskundigen van de Gezondheidsraad worden ingedeeld. In enkele gevallen komt deze commissie tot een andere conclusie dan haar Europese collega’s. Mede hierdoor zit er licht tussen de indeling van enerzijds een aantal stoffen die zijn opgenomen in Bijlage VI en anderzijds de in de SZW-lijst opgenomen stoffen.

In dit geval handelt de leverancier juist. In CLP is namelijk bepaald dat voor een stof die is opgenomen in Bijlage VI de stof overeenkomstig die vermelding ingedeeld moet worden. Als dus een stof in die bijlage is ingedeeld als kankerverwekkend categorie 2, dan moet overeenkomstig worden ingedeeld en geëtiketteerd.

In de stoffenvraag 'Waarom verschillen CLP en de SZW-lijst? (2)' meer over de verschillen tussen de lijst van SZW en CLP.

Vraag: Waarom verschillen CLP en de SZW-lijst? (2)

In de vraag 'Waarom verschillen CLP en de SZW-lijst? (1)' is ingegaan op de relatie tussen de door het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) gehanteerde lijsten van kankerverwekkende stoffen. Toen werd duidelijk dat er verschillen zijn tussen de in Bijlage VI van CLP als kankerverwekkend ingedeelde stoffen en de SZW-lijst. Ik kom alleen ook nog andere verschillen tegen. Zo kom ik stoffen tegen die in bijlage VI niet als kankerverwekkend zijn ingedeeld, maar wel voorkomen op de SZW-lijst. Bovendien is een aanzienlijk deel van de stoffen op de SZW-lijst helemaal niet opgenomen in bijlage VI van CLP. Hoe kan dit?

Antwoord:

Zoals in de vraag 'Waarom verschillen CLP en de SZW-lijst? (1)' al is toegelicht bevat de lijst van SZW - naast stoffen die door de EU zijn ingedeeld als kankerverwekkend categorie 1a/1b en opgenomen in bijlage VI van Verordening EC 1272/2008 - ook stoffen die door de Commissie Werkgroep van Deskundigen van de Gezondheidsraad worden ingedeeld. Het komt daarbij voor dat de Werkgroep van Deskundigen tot een andere conclusie komt dan Europa.

Daarbij komt dat de indeling in bijlage VI van CLP niet in alle gevallen volledig is. Daarnaast zijn zowel bijlage VI van CLP als de lijst van SZW niet limitatief. Bovendien bevat de lijst SZW - naast stoffen die zijn onderworpen aan CLP - ook stoffen die daar niet aan zijn onderworpen en stoffen die niet in de handel zijn maar wél voorkomen op de werkplek.

Vraag: Wat is de CoRAP?

Onlangs is een nieuwe CoRAP gepubliceerd. Wat is de CoRAP?

Antwoord:

CoRAP staat voor Community Rolling Action Plan. Dit plan biedt een overzicht van stoffen die voor REACH een stoffenbeoordeling ondergaan, plus de planning hiervoor van lidstaten voor een periode van 3 jaar. Elk jaar wordt het plan bijgewerkt. Zo bevat het plan van 2013 een overzicht van stoffen waarvan lidstaten aangeven deze in 2015 te willen beoordelen.

Bekijk de CoRAP van het ECHA

Vraag: Hoe voer ik een chemische-veiligheidsbeoordeling uit?

Een van de opties die ik als downstreamgebruiker heb wanneer ik constateer dat mijn gebruik van een stof niet overeenkomt met het gebruik waarop het blootstellingscenario is gebaseerd is, dat ik zelf een chemische-veiligheidsbeoordeling uitvoer. Waarmee moet ik rekening houden als ik zo’n beoordeling zelf moet of wil maken?

Antwoord:

De belangrijkste wettelijke eisen waarmee u rekening moet houden is dat u binnen 6 maanden na ontvangst van het veiligheidsinformatieblad (VIB) met het registratienummer een zogeheten artikel 38.1-melding moet doen aan het ECHA. Dit kan via REACH-IT. Zo'n melding bevat informatie over uw identiteit en contactgegevens, registratienummer, identiteit van de stof, informatie over de leverancier, een beknopte beschrijving van de vormen van gebruik en de voorwaarden waaronder die wordt gebruikt, en zo nodig voorstellen voor het doen van proeven als u deze nodig acht voor de beoordeling.

Let op dat u deze informatie ook up-to-date moet houden. U dient de beoordeling zelf binnen 12 maanden na ontvangst van het VIB te hebben uitgevoerd en de nodige risicobeperkende maatregelen te nemen.

Vraag: Moet de formuleerder blootstellingsscenario's maken?

Is een formuleerder verplicht om blootstellingsscenario’s op te stellen voor de mengsels die hij maakt?

Antwoord:

Nee, een verplichting daartoe geldt niet. Wel kent REACH de verplichting voor downstreamgebruikers om de relevante blootstellingsscenario’s van grondstoffen op te nemen in het door hemzelf op te stellen veiligheidsinformatieblad (VIB) voor geïdentificeerde vormen van gebruik. Deze informatie kan worden opgenomen in de desbetreffende secties van het VIB, maar de formuleerder kan er ook voor kiezen zelf blootstellingsscenario’s op te stellen voor het mengsel.

In het Exchange Network on Exposure Scenarios (ENES) worden best practices besproken voor het opstellen en toepassen van blootstellingsscenario's en op het tot stand brengen van een effectieve communicatie tussen actoren in de toeleveringsketen ter bevordering van de bescherming van de menselijke gezondheid en het milieu.

Het netwerk is door ECHA opgericht in samenwerking met de sectororganisaties Cefic, Concawe, Eurometaux, Fecc, A.I.S.E en DUCC, om kennis, technieken en benaderingen voor het opbouwen en toepassen van (Reach-)blootstellingsscenario's te delen.

Vraag: Wanneer stel ik geen veiligheidsrapport op?

Mijn gebruik van een stof komt niet overeen met het gebruik waarop het blootstellingsscenario is gebaseerd dat ik van mijn leverancier ontving. In vraag 39 zijn opties beschreven waarvan ik in dat geval gebruik kan maken, maar volgens mij is het zelf uitvoeren van een chemische-veiligheidsbeoordeling en -rapport niet altijd nodig. Klopt dit?

Antwoord:

Ja, in artikel 37, vierde lid van REACH staat dat in bepaalde gevallen een chemische-veiligheidsrapport door een downstreamgebruiker niet hoeft te worden opgesteld:

  • Een veiligheidsinformatieblad (VIB) is niet verplicht vanwege artikel 31 van REACH (bijvoorbeeld omdat de stof of het mengsel niet gevaarlijk is).
  • De downstreamgebruiker gebruikt in totaal minder dan 1 ton van de stof (als zodanig of in een mengsel) per jaar.
  • Door de downstreamgebruiker wordt een blootstellingsscenario toegepast of aanbevolen dat ten minste de voorwaarden omvat die beschreven zijn in het aan hem in het vib verstrekte blootstellingsscenario (scaling).
  • De stof komt in een mengsel in een lagere concentratie voor dan de concentraties die zijn vermeld in artikel 14, lid 2 van REACH.
  • De downstreamgebruiker gebruikt de stof voor onderzoek en ontwikkeling gericht op producten en procedés, en de risico's voor de gezondheid van de mens en voor het milieu worden afdoende beheerst, overeenkomstig de wettelijke voorschriften inzake de bescherming van werknemers en het milieu.
  • U hoeft uiteraard zelf ook geen rapport op te stellen als uw leverancier op grond van artikel 14 van REACH niet verplicht is een rapport op te stellen.

Vraag: Wat doe ik bij een afwijkend blootstellingsscenario?

Wat moet ik doen als mijn gebruik van een stof niet overeenkomt met het gebruik waarop het blootstellingsscenario is gebaseerd?

Antwoord:

U heeft een aantal opties als het overduidelijk is dat de omstandigheden van het gebruik niet overeenkomen met de omschrijving in het blootstellingsscenario:

  • Meld aan uw leverancier dat uw gebruik niet is beschreven in het blootstellingsscenario en verzoek hem dit gebruik te beoordelen en als scenario toe te voegen aan de blootstellingsscenario’s. U moet in dit geval uiteraard wel voldoende informatie verstrekken om deze beoordeling mogelijk te maken.
  • Ga na of andere leveranciers uw omstandigheden voor gebruik wel hebben opgenomen als blootstellingsscenario. Als u een of meer leveranciers heeft gevonden die uw gebruik wel hebben beoordeeld en beschreven, dan kunt u overwegen met deze leverancier(s) in zee te gaan.
  • Ga na of u uw gebruik zodanig kunt aanpassen dat deze wél overeenkomstig het blootstellingsscenario is.
  • Stel zelf een chemische-veiligheidsrapportage op. Meer informatie in deze stoffenvraag
  • Staak het gebruik van de stof.

Vraag: Waar vind ik de GHS-status van landen?

Mijn onderneming is ook actief buiten de Europese Unie. Waar vind ik informatie over de status van de implementatie van de internationale afspraken over de harmonisatie van indeling en etikettering (GHS) in de diverse landen of regio’s?

Antwoord:

Het United Nations Economic Commission for Europe (UNECE) heeft op zijn website een actueel overzicht van de status van de implementatie van GHS, inclusief verwijzingen naar landspecifieke informatie.

Bezoek de UNECE-website

Vraag: Hoe vindt REACH-handhaving plaats?

REACH is een Europese verordening die direct kracht van wet heeft. Vindt handhaving ook op Europees niveau plaats?

Antwoord:

Nee. Handhaving gebeurt in Nederland door Nederlandse inspectiediensten (ILT, I-SZW en de Voedsel- en warenautoriteit). Er worden op Europees niveau wel afspraken gemaakt over samenwerking. Zo worden bepaalde activiteiten gecoördineerd en ervaringen en informatie uitgewisseld. Dit gebeurt in het zogenoemde Forum, dat bestaat uit vertegenwoordigers van nationale handhavingsdiensten. Op de site van het Europees Chemicaliënagentschap (ECHA) staan de activiteiten beschreven van het Forum.

Ga naar de website van het ECHA

Vraag: Hoe moet ik mijn samengestelde verpakking etiketteren?

Mijn onderneming levert verschillende soorten pasteuze mengsels die uiteenlopend worden ingedeeld en die worden verpakt in blikken van 1 liter. Elk blik is voorzien van het benodigde CLP-etiket. De blikken worden verpakt in dozen en voor het vervoer naar de klant worden de benodigde hoeveelheden dozen op pallets en in folie gewikkeld. Hoewel het hier om gevaarlijke mengsels gaat, is het te vervoeren goed vrijgesteld van transportetikettering omdat het een 'limited quantity' betreft. Wel wordt de buitenverpakking (overeenkomstig ADR) voorzien van het 'LQ'-kenmerk. Hoe moet ik CLP-etikettering toepassen?

Antwoord:

In artikel 33 van CLP staan de specifieke voorschriften beschreven voor de etikettering van buitenverpakkingen, binnenverpakkingen en enkele verpakkingen:
Indien een verpakking bestaat uit een buiten-, binnen- en enigerlei tussenverpakking, en de buitenverpakking voldoet aan de etiketteringsvoorschriften voor het vervoer van gevaarlijke goederen, worden de binnen- en tussenverpakking overeenkomstig deze verordening geëtiketteerd. Ook de buitenverpakking kan overeenkomstig deze verordening worden geëtiketteerd. Indien de bij deze verordening voorgeschreven gevarenpictogrammen verband houden met dezelfde gevaren als die van het vervoer van gevaarlijke goederen, behoeven de bij deze verordening voorgeschreven gevarenpictogrammen niet op de buitenverpakking te worden aangebracht.

Indien de buitenverpakking van een pakket niet aan de etiketteringsvoorschriften voor het vervoer van gevaarlijke goederen behoeft te voldoen, worden zowel de buiten- als enigerlei binnenverpakking, waaronder de tussenverpakking, overeenkomstig deze verordening geëtiketteerd. Indien de binnen- of tussenverpakking goed zichtbaar zijn door de buitenverpakking heen, behoeft de buitenverpakking evenwel niet te worden geëtiketteerd.

Enkele verpakkingen die aan de voorschriften voor het vervoer van gevaarlijke goederen voldoen, worden geëtiketteerd overeenkomstig deze verordening en overeenkomstig de voorschriften voor het vervoer van gevaarlijke goederen. Indien de bij deze verordening voorgeschreven gevarenpictogrammen verband houden met dezelfde gevaren als die van het vervoer van gevaarlijke goederen, behoeven de bij deze verordening voorgeschreven gevarenpictogrammen niet te worden aangebracht.

In ieder geval zullen dus de binnenverpakking en tussenverpakkingen moeten worden geëtiketteerd overeenkomstig CLP. Het antwoord op de vraag of in dit geval ook de buitenverpakking moet worden geëtiketteerd is afhankelijk van de vraag of het 'LQ'-kenmerk moet worden beschouwd als transportetikettering.

De onlangs gepubliceerde handreiking voor de indeling en etikettering overeenkomstig CLP door het ECHA stelt: "Transportetikettering zoals bedoeld in artikel 33 van de CLP omvat alle etiketteringen en markeringen die worden vereist door bijvoorbeeld Richtlijn 2008/68/EG (waarmee de mondiale regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen in de EU ten uitvoer wordt gelegd), zoals (…) markeringen voor beperkte/vrijgestelde hoeveelheden."

Let op: het 'LQ'-kenmerk is weliswaar transportetikettering maar met dit kenmerk geeft geen informatie over het gevaar van het goed. In het hierboven beschreven geval is CLP-etikettering van de buitenverpakking verplicht.

Bekijk de handreiking voor indeling en etikettering overeenkomstig CLP

1/6 (89)

Stoffenvragen per categorie