VNCI-voorzitter Ronald van Klaveren: ‘We moeten beter naar elkaar luisteren’

Sinds mei is Ronald van Klaveren voorzitter van de VNCI. Naast deze rol werkt hij als vice president Chemicals Europe bij LyondellBasell. Na ruim zevenendertig jaar in de chemische industrie kent hij de sector van binnenuit. We spreken hem over zijn drijfveren, zijn visie op de toekomst van de industrie en de verantwoordelijkheid die hij voelt om die toekomst veilig te stellen.

Tekst: Carolien Terlien
Beeld: Mark Prins
Gepubliceerd: 15.10.2026

In mei werd Ronald van Klaveren tijdens de Algemene Ledenvergadering van de VNCI benoemd tot nieuwe voorzitter. Hij volgde daarmee Nienke Homan op. Van Klaveren gaat de chemische industrie vertegenwoordigen in een uitdagende periode waarin het Nederlandse en Europese vestigingsklimaat onder druk staat door onder meer internationale concurrentie, hoge energieprijzen en geopolitieke ontwikkelingen.

Wie ben jij als persoon, de Ronald zonder functietitels?

“Ik denk dat je altijd wordt gevormd door je jeugd. Ik ben opgegroeid in een fijn, stabiel middenklasse gezin. Mijn moeder was onderwijzeres, maar ze moest hiermee stoppen toen ze trouwde met mijn vader. Dat vond ze een groot onrecht. Van haar heb ik een groot rechtvaardigheidsgevoel en gedrevenheid meegekregen. Mijn vader begon als ‘krullenjongen’ bij de ING Bank en werkte zich daar verder op. Van hem heb ik het gevoel voor humor. Mijn ouders zijn totaal verschillend, maar ze vulden elkaar goed aan.”

“Ik heb altijd een drang gehad om te leren en mezelf te ontwikkelen. Van oorsprong ben ik best een verlegen jongen, sociaal wat onhandig, maar door mezelf steeds uit te dagen heb ik geleerd dat je uiteindelijk vaak zelf je grootste beperking bent. Als je uit je comfortzone stapt, ontdek je hoeveel meer er mogelijk is. Daarbij kwam ik erachter dat het contact met andere mensen mijn leven zoveel rijker maakte.”

“Ik heb altijd hard moeten werken voor resultaten. Dat begon al op het vwo, dat ik met twee vijven met de hakken over de sloot heb gehaald. Dat heeft mij geleerd, als het eens tegenzit, dan laat je niet je koppie hangen. Je moet gewoon harder, slimmer en anders werken. En dat heeft me ook in de rest van mijn leven veel gebracht.”

“Dat zie je ook terug in mijn loopbaan. Ik lijd aan het ‘Pippi Langkous-syndroom’: ik heb het nog nooit gedaan, dus ik denk dat ik het wel kan. Dat heeft me geholpen om kansen te pakken, nieuwe rollen aan te nemen en ook nu het voorzitterschap van de VNCI op me te nemen.”

Na je middelbare school studeerde je commerciële economie, werkte je in de kleding en je deed zelfs even modellenwerk. Hoe beland je van de mode in de chemische industrie?

“Ik hou van mooie kleding dus was het voor mij een logische stap om daar mijn eerste baan te zoeken. Ik kwam er echter al snel achter: leuke producten, vreselijke mensen. Een opportunistische wereld, gericht op korte termijn winstbejag. Uiteindelijk kwam ik via mijn werk voor een uitzendbureau terecht bij wat nu LyondellBasell is. Ik begon in de logistiek op de Rotterdamse fabriek, maakte de switch naar sales, waar veel meer mijn hart ligt. Langzaam klom ik op, werkte en woonde in verschillende landen – onder andere Duitsland, Engeland en de Verenigde Staten - en kreeg ik steeds grotere, internationale business units onder mijn hoede. Tien jaar geleden keerde ik terug naar Rotterdam waar ik eerst de functie van vice president Global Chemical Sales & Sustainability bekleedde en sinds deze zomer ben ik verantwoordelijk voor onze divisie Chemie in Europa. Zelfs na al die jaren in de chemie ben ik er nog steeds niet op uitgekeken.”

Wat maakt de chemische industrie volgens jou zo bijzonder?

“De chemische industrie is gebouwd op langdurige relaties. Klanten, leveranciers en producenten hebben elkaar nodig. In goede én slechte tijden. We zitten soms letterlijk aan elkaar vast met pijpleidingen. Dus je streeft altijd op één of andere manier naar een win-win. Dat is een heel andere manier van zaken doen. In een industrie waarin veel producten sterk op elkaar lijken, maak je uiteindelijk het verschil met betrouwbaarheid, samenwerking en relaties. De industrie is heel eerlijk, je hebt maar één reputatie. Dat spreekt mij enorm aan. Je komt elkaar morgen, volgend jaar en over tien jaar weer tegen.”

Waarom wilde je voorzitter van de VNCI worden?

“Een combinatie van nieuwsgierigheid, kinderlijk enthousiasme, maar vooral verantwoordelijkheidsgevoel. Ik voel verantwoordelijkheid als vader, als Nederlander en als vertegenwoordiger van de chemische industrie. Ik maak mij echt zorgen over wat er op dit moment gebeurt met de industrie in Nederland én Europa. Dat lossen bedrijven niet individueel op. Daar heb je samenwerking voor nodig. Via de VNCI kan ik bijdragen aan die bredere discussie.”

“Ook vraag ik me als Nederlander af: waar gaan we als land over vijftien jaar ons geld mee verdienen? Natuurlijk moeten we verduurzamen, daar is voor mij geen discussie over. Maar als het resultaat is dat fabrieken hun deuren sluiten en we dezelfde producten vervolgens importeren van buiten Europa, dan lossen we niets op. Het klimaat wint daar niet bij, terwijl Nederland wel een stuk armer wordt.”

‘Uiteindelijk geloof ik dat we veel verder komen als we samen zoeken naar oplossingen dan wanneer we tegenover elkaar blijven staan’

“Als vader van zes kinderen kijk ik ook naar de wereld die we achterlaten. Ik gun toekomstige generaties dezelfde kansen die ik heb gehad. De chemische industrie speelt daarin een belangrijke rol. Elke dag werken mensen aan nieuwe materialen, nieuwe processen en slimmere oplossingen. Of het nu gaat om mobiliteit, energie of gezondheid: chemie zit erachter. Daarom vind ik het belangrijk dat we die kennis en innovatiekracht in Europa behouden.”

Twee jaar geleden zei je in Chemie Magazine al: ‘Het is vijf over twaalf voor de chemische industrie in Europa.’ Sta je daar nog steeds achter?

“Ja, helaas wel. Het positieve is dat het besef groeit dat de industrie belangrijk is voor Europa. De discussies zijn beter geworden. Tegelijkertijd zijn de problemen niet kleiner geworden en de concrete acties nog onvoldoende.”

“De concurrentiepositie van Europa is op dit moment niet goed. We zien massaal gecreëerde overcapaciteit uit China, terwijl Europa kampt met hoge kosten, complexe regelgeving en een investeringsklimaat dat niet aantrekkelijk genoeg is. Daardoor ontstaat het risico dat productie en investeringen steeds vaker buiten Europa plaatsvinden.”

“Dat is niet alleen een probleem voor de chemische industrie. Het raakt de Europese economie als geheel. We zijn inmiddels al negen procent van de chemische industrie in Europa kwijt (bron: Roland Berger). Tegelijkertijd verdienen veel bedrijven al jaren geen of onvoldoende geld om te investeren in de toekomst. Dat maakt de verduur-zamingsopgave extra ingewikkeld. Technisch is het mogelijk en we willen die stap ook zetten. Maar daarvoor moet er wel economisch perspectief zijn.”

Wat is er volgens jou nodig om het tij te keren?

“We moeten kijken onder welke voorwaarden bedrijven kunnen verduurzamen én concurrerend kunnen blijven. Juist daar wringt het vandaag de dag. We hebben met het Europese emissiehandelssysteem ETS de afgelopen twintig jaar veel bereikt. Voor een aantal sectoren, zoals brandstoffen en energie, werkt dat systeem goed, maar hiervoor geldt: de kosten voor verduurzaming zijn doorberekend en er is bescherming tegen ontduiking. Voor de chemische industrie zijn die randvoorwaarden niet op orde. ETS werkt alleen in combinatie met vraagcreatie en bescherming tegen oneerlijke concurrentie van buiten Europa. Als één van die onderdelen ontbreekt, wordt verduurzaming heel moeilijk. En dan hebben we  vanuit Brussel nog een kookwekker onder ETS gezet waarbij ruim voor 2050 emissies op nul zouden moeten staan. Die combinatie van het ontbreken van de randvoorwaarden voor een economisch verdienmodel en de zekerheid dat de CO2 kosten per installatie progressief omhoog gaan, noopt tot andere beslissingen dan investeren.”

“Verder mis ik een integraal industriebeleid. Je merkt dat de discussies in Den Haag en Brussel verdeeld zijn over verschillende departementen. Niemand lijkt die kluwen te kunnen ontwarren en tot iets gemeenschappelijks te maken. Nergens is de regeldruk zo hoog als in Europa om iets te produceren of te investeren.”

Je hebt vaker gezegd dat technisch veel mogelijk is, maar economisch niet altijd. Is er vandaag wel een verdienmodel voor duurzame producten?

“Dat is precies de uitdaging. Oorspronkelijk hebben we met z’n allen gedacht dat consumenten intrinsiek gemotiveerd zouden zijn om iets meer te betalen voor duurzame producten. Maar de praktijk is grilliger.”

“We kunnen verduurzamen, maar uiteindelijk moet iemand bereid zijn om daarvoor te betalen. Die meerkosten moeten door de hele waardeketen heen kunnen worden doorgegeven. Daar zit op dit moment een belangrijk knelpunt. Zonde, want uiteindelijk zal de prijsimpact voor de consument verwaarloosbaar zijn. En zeker lager dan het alternatief van klimaatadaptatie en afhankelijkheid van importen van buiten Europa.”

'We moeten kijken onder welke voorwaarden bedrijven kunnen verduurzamen én concurrerend kunnen blijven'

Wat is er nodig om die omslag wél mogelijk te maken?

“Dat lukt alleen als de hele keten meedoet. Producenten, klanten, merkeigenaren, consumenten en overheid hebben allemaal een rol. Daarom praten we zoveel over vraagcreatie. Uiteindelijk heb je een concurrerende markt nodig voor duurzame producten. Daarnaast hebben bedrijven behoefte aan duidelijke en stabiele wetgeving. Die geeft richting en investeringszekerheid. Bedrijven investeren voor de lange termijn (vijftien tot twintig jaar) en moeten weten waar ze aan toe zijn. We hebben de afgelopen jaren veel geleerd over wat wel en niet werkt. Je ziet dat bedrijven in de keten elkaar daar steeds beter in weten te vinden. Dat geeft mij vertrouwen.”

Binnen de VNCI zijn multinationals, mkb-bedrijven, startups en biobased bedrijven vertegenwoordigd. Hoe houd je al die belangen bij elkaar en waar zitten de grootste spanningen?

“Er wordt vaak gesproken over oude versus nieuwe chemie, of groot versus klein. Maar in de praktijk hebben we elkaar juist nodig. Startups zijn afhankelijk van bestaande infrastructuur en waardeketens. Grote bedrijven bestaan bij de gratie van klanten, leveranciers en innovatiepartners.”

“De chemische industrie opereert al decennialang in clusters, superefficiënte eco-systemen van bedrijven die met elkaar samenwerken, producten uitwisselen en vaak letterlijk met pijpleidingen aan elkaar verbonden zijn. Die tegenstelling tussen ‘oud’ en ‘nieuw’ leeft veel meer buiten de sector dan binnen de sector. Iedereen wil uiteindelijk hetzelfde: veilig produceren, verduurzamen, vernieuwen en economisch succesvol blijven.”

Onbekend maakt onbemind. Begrijp je dat veel mensen een ongemakkelijk gevoel hebben bij de chemische industrie?

“Ik begrijp dat beeld wel. Chemie is voor veel mensen onzichtbaar. Ze zien een fabriek achter een hek en trekken daar conclusies uit. Tegelijkertijd hebben wij als sector te weinig uitgelegd wie we zijn, wat we doen en waarom we dat doen.”

“Veel mensen realiseren zich niet hoeveel producten die ze dagelijks gebruiken mogelijk worden gemaakt door de chemische industrie. Het matras waarop je slaapt, de telefoon die je gebruikt. De Maxi-Cosi waarin je je kind vervoert. Isolatiematerialen. Windmolens. Alles is chemie.”

“Ik hoop dat mensen de industrie niet alleen zien als een bron van uitstoot, maar ook als een bron van innovatie, werkgelegenheid, welvaart en onafhankelijkheid én als oplossing voor de grote maatschappelijke vraagstukken. Dat verhaal mogen we best vaker vertellen.”

'Nergens is de regeldruk zo hoog als in Europa om iets te produceren of te investeren'

Stel dat we elkaar over vier jaar weer spreken. Wat hoop je dat er dan anders is voor de Nederlandse chemische industrie?

“Als ik het heel concreet maak, dan zijn er drie dingen. Ten eerste een gelijk speelveld voor Europese bedrijven. Ten tweede meer vraag naar duurzame producten, zodat investeringen in verduurzaming rendabel worden. En ten derde betere bescherming tegen oneerlijke concurrentie en structurele overcapaciteit van buiten Europa.”

Bedrijven moeten vertrouwen hebben dat investeren in Europa zinvol blijft. Als dat vertrouwen er is, volgen investeringen vanzelf. Ik hoop daarom dat we over vier jaar kunnen zeggen dat de Nederlandse chemische industrie er sterker voor staat dan vandaag. Niet alleen duurzamer, maar ook economisch gezonder.”

Ben je ondanks alle uitdagingen nog steeds optimistisch?

“Ja, maar eerder een optimistische realist. Ik zie de problemen en die moeten we niet wegpoetsen. Tegelijkertijd zie ik ontzettend veel innovatie, ondernemerschap en creativiteit in onze sector. Ik geloof oprecht dat we dit kunnen.”

“Wat ik jammer vind, is dat discussies snel zwart-wit worden. Alsof je vóór of tegen industrie bent. Of vóór of tegen verduurzaming. Terwijl de werkelijkheid veel complexer is. Wij willen en kunnen verduurzamen, maar we moeten ook eerlijk kunnen praten over wat daarvoor nodig is. Dat betekent niet dat we alles bij het oude willen laten. Integendeel. De chemische industrie heeft juist altijd overleefd dankzij innovatie.”

“Wat mij hoop geeft, is dat de gesprekken beter worden. Je ziet dat bedrijven, overheden en andere partijen elkaar vaker opzoeken en gezamenlijk naar oplossingen kijken. Ik hoop dat we ook bereid blijven om écht naar elkaar te luisteren. Niet vanuit aannames, maar vanuit de wil om te begrijpen waar de ander tegenaan loopt. Want uiteindelijk geloof ik dat we veel verder komen als we samen zoeken naar oplossingen dan wanneer we tegenover elkaar blijven staan.