19 - 03 - 2018

Chemieclusters over de 'Routekaart 2050'

 

Tekst: Henk Engelenburg

 

Chemieclusters aan de slag met duurzaamheid

In het behalen van de duurzaamheidsambities van de chemische industrie spelen de zes chemieclusters een belangrijke rol. Dat stelt ook het rapport ‘Chemistry for Climate – Acting on the need for speed’, kortweg de ‘Routekaart 2050', dat laat zien hoe de Nederlandse chemische industrie in 2050 een broeikasgasreductie van 90 procent kan bereiken. Hoe kijken de zes chemieclusters naar dit rapport? Helpt het hen bij het realiseren van hun ambities?

 

ZEELAND

‘Een middel om de discussie te kanaliseren’

De VNCI neemt hiermee de lead in ‘het probleem waar we met z’n allen voor staan’, aldus Daniel Goedhuis, programmamanager Smart Delta Resources en coördinator Chemiecluster Zeeland. “De Roadmap heeft ons in Zeeland mede geïnspireerd om er regionale invulling aan te geven.”

Smart Delta Resources heeft de ‘routes verduurzaming’ samengebracht van onder meer de Routekaart van de VNCI, van EZ, van VEMW en van nationale en sectorale studies en heeft een vertaalslag gemaakt naar de regio Zuidwest-Nederland, Vlaanderen, West-Brabant. Het voorlopige resultaat is een ‘roadmap voor Zeeland’, die medio april wordt gepresenteerd. De kernbegrippen: klimaatneutrale energiedragers, infrastructuur voor elektra, waterstof, en CO2-opslag, waterstofproductie via elektrolyse, geothermie in West-Brabant, terugbrengen van plastic afval naar grondstof, steel to chemicals (rookgassen van staalsector combineren met waterstof tot grondstof voor chemie) en implementatie warmtepomptechnologie.

Goedhuis ziet de Routekaart als een middel om de discussie te kanaliseren. De opgave voor de VNCI is bedrijven en overheden om de tafel krijgen en in gesprek gaan over het realiseren van de klimaatopgave. “Hoe gaat dat vorm krijgen? Komt er bijvoorbeeld een CO2-belasting of wordt het gratis CO2? We weten het niet en het is nu nog niet relevant. We weten wel dat we bijvoorbeeld een CO2-leiding nodig hebben. Waar komt die en wat kost die en wie gaat dat betalen? Het wordt een proces van jaren om die uitdagingen gaandeweg gezamenlijk op te lossen. De bedrijven willen graag aan de slag om resources vrij te maken, studies te starten, de eerste stappen te zetten. Op basis van economische omstandigheden waarin investeringsbeslissingen op gezonde bedrijfseconomische gronden kunnen worden genomen.”

 

 

CHEMELOT

‘Het gaat echt om een nieuwe industriële revolutie’

Een belangrijke oproep aan diverse partijen, de overheid niet in de laatste plaats, om gezamenlijk de enorme uitdaging aan te gaan, zo ziet Robert Claasen deze Routekaart. “Het gaat echt om een nieuwe industriële revolutie.” Hij onderkent het spanningsveld tussen het verlagen van CO2-emissies bij behoud van concurrentiekracht. De Routekaart bepleit een mondiale CO2-beprijzing om een gelijk speelveld te bewerkstelligen, maar voordat het zover is, is ondersteuning van concurrentiekracht volgens hem van groot belang.

De Routekaart ademt dezelfde ambities als Chemelot: uitgroeien tot het duurzaamste en meest concurrerende chemiepark van West-Europa. Een van de parallellen is de noodzaak van samenwerking. De structuur van Chemelot is hier illustratief, de bedrijven zijn er al sterk geïntegreerd. Dit stelt ze in staat om elkaar te helpen met vergroening, opschaling van processen, ‘de-bottlenecken’ (efficiëntieverhoging opdat concurrentie met ‘fossiel’ mogelijk is) en samenwerken. Claasen stelt dat de sterke afhankelijkheid binnen het chemiepark ook moet gelden buiten de poort, aangezien samenwerking vereist is met overheden en energiebedrijven. Chemelot-bedrijven leveren groene restwarmte aan omliggende gemeenten, er wordt gekeken naar CO2 voor het tuinbouwgebied in Noord-Limburg en er wordt bezien of het chemiepark mest kan omzetten in biogas. “Maar voor al die zaken zijn de regels nog niet duidelijk.” Eén zaak zou volgens Claasen in de Routekaart meer aangezet moeten worden: de human capital-agenda. “We hebben heel veel kennis in Nederland, maar het wordt nog een uitdaging om te bereiken dat het aantal mensen met die kennis op peil blijft.”

 

DELFZIJL

‘Instrumentarium voor pilotfaciliteiten is onmisbaar’

De uitgangspunten en aanbevelingen sluiten ‘prima’ aan bij die van het cluster in Noord-Nederland, stelt Henri Kats, business manager chemicals bij Groningen Seaports en lid van het kernteam Chemport Europe. De nadruk ligt op duurzamer produceren door de inzet van alternatieve vormen van energieopwekking. “Hoe je dat verder invult, met wind op zee, wind op land, zonnepanelen, biomassa en dergelijke, is een afgeleide.” De belangrijkste thema’s worden in de Routekaart genoemd, ook CCS (Carbon Capture and Storage), al ziet Kats liever de nadruk op CCU (Carbon Capture and Utilisation), omdat het benutten van CO2 aansluit op het sluiten van de CO2-kringloop.

De benodigde tientallen miljarden aan investeringen die de Routekaart voorziet, hebben voor een groot deel betrekking op energieopwekking. Het cluster in Delfzijl heeft hier al grote stappen in gemaakt. Zo ontvangen bedrijven er sinds 2009 stoom van de afvalverbrandingsinstallatie van EEW Energy from Waste en is vorig jaar de ‘biostoom’-leiding tussen de centrale van Eneco Bio Golden Raand en het chemiepark in gebruik genomen.

Binnen het cluster wordt al lang methanol geproduceerd. Dit maakt het logisch om in lijn met de Routekaart verder te studeren op de route van methanol naar olefinen. Dit vraagt echter nog behoorlijke investeringen, aldus Kats. Een instrument van overheidswege dat dergelijke investeringen vanuit het bedrijfsleven stimuleert is noodzakelijk. Ook een instrumentarium voor pilotfaciliteiten is onmisbaar voor de transitie naar een duurzaam chemiecluster.

Biomassa voor materialen speelt eveneens al een rol in Delfzijl, met de proeffabriek van Avantium. Daarnaast onderzoeken AkzoNobel en Gasunie de mogelijkheid om groene waterstof te produceren voor de chemie.

 

ROTTERDAM

‘Focus ook op minder grootschalige initiatieven’

De Routekaart sluit aan bij de activiteiten die in Rotterdam worden ontwikkeld, zegt Alice Krekt, programmadirecteur van Deltalinqs Energy Forum, dat haven- en industriële bedrijven samenbrengt in de energietransitie. Krekt werkt nauw samen met Havenbedrijf Rotterdam in de versterking van het Rotterdamse chemiecluster. Ze onderschrijft dat financiën, wetgeving en organisatorische vraagstukken net zo belangrijk zijn voor de implementatie van innovaties als de techniek. Het valt haar op dat de Routekaart zich in de opsomming van initiatieven in de Rotterdamse regio vooral richt op grootschalige sleutelprojecten, zoals offshore CCS, warmterotonde en biomassa. Ze breekt daarom een lans voor de minder grootschalige initiatieven. “We zoeken in onze regio bijvoorbeeld steeds naar nieuwe manieren om energie te besparen. We brengen bij bedrijven actief nieuwe technieken onder de aandacht en zoeken naar clustervoordelen door warmte- en stoom-uitkoppeling. Overheden als provincie Zuid-Holland en Rotterdam helpen bij het terugdringen van de onrendabele top.”

Verder ontwikkelt het cluster een fieldlab elektrificatie voor ‘power to X’-opties en wordt waterstof verkend als brandstof voor verwarming bij industriële processen. Krekt ziet dat ook andere clusters veel technieken ontwikkelen en pleit voor het samenbrengen van al die initiatieven, opdat alle partijen van elkaar kunnen leren. Het ligt volgens haar voor de hand dat hierover landelijke afstemming komt, wellicht aansluitend aan het klimaaten energieakkoord. Voor de uitvoering van de Routekaart is een betrouwbare overheid nodig die een koers inzet die verder gaat dan deze kabinetsperiode. CCS is volgens Krekt voorlopig nodig om de emissies snel te verminderen en intussen fundamentele zaken voor CCU uit te zoeken.

 

AMSTERDAM

‘De benodigde infrastructuur  moet worden onderzocht’

Wat Micha Hes, business development manager Circular Industry van Port of Amsterdam, aanspreekt in de Routekaart is de verantwoordelijkheid om chemie in de hele keten te beschouwen, ‘want chemie is behalve productie ook gebruik’. Zijn algemene reactie: er wordt te veel van de overheid gevraagd om te investeren. En hij heeft bedenkingen bij CCS. De Routekaart geeft volgens Hes dezelfde richting aan waar het Amsterdamse havenbedrijf voor kiest. De kracht ligt in het ontwikkelen van een slimme, circulaire industrie. Er is namelijk de sterke aanwezigheid van chemie met het Shell-lab, Avantium, Albemarle, het Amsterdam Science Park en het Ilab, met een aantal starters. Het Havenbedrijf wil de link zijn tussen wetenschap en opschaling en probeert daarom zo veel mogelijk innovaties, pilots en de demo’s zijn kant op te krijgen. Daarvoor is een innovatiehub in de haven ontwikkeld. De kernzaken: infrastructuur, innovatie, ‘first movers ’, circulaire economie en biomassa.

De haven ziet voor zichzelf een rol weggelegd als hub op het gebied van waterstof en biomassa. De bouw van grote windmolenparken voor de kust wordt gezien als kans, zowel voor gebruik in de stad, de industrie als om de waterstof te distribueren. De benodigde infrastructuur moet worden onderzocht. Daarnaast wil de haven uitgroeien tot biomassahub in Europa vanwege de sterke positie in droge-bulkoverslag.

Het Havenbedrijf heeft al een van de grootste bioraffinageclusters van Europa. De OCAP-leiding tussen Rotterdam en Amsterdam, die nu CO2 bevat voor de glastuinbouw, biedt kansen om CO2 als grondstof in te zetten. Waterbedrijf Waternet maakt biogas uit rioolslib. Het voordeel van de nabijheid van Tata Steel, de opkomst van elektrificatie, gebruik van waterstof en CCU: allemaal kansen, aldus Hes.

 

EMMEN

‘Van belang dat elk cluster zijn eigen focus houdt’

Bart Labrie, directeur-eigenaar van H&P Moulding en voorzitter van het chemiecluster Emmen (Suspacc), constateert en begrijpt dat de Routekaart sterk focust op het verduurzamen van grondstoffen en energie, maar hij mist de nodige aandacht voor het ontwikkelen van producten en toepassingen. “Dat is net zo belangrijk.”

H&P Moulding maakt hoogwaardige precisie-spuitgietonderdelen van kunststof, en ook het cluster Emmen is sterk productgericht. Labrie ziet vanuit de praktijk dat wetgeving niet zelden in de weg zit. Zo zijn de wettelijke eisen ten aanzien van vooral toepassingen in weg- en waterbouw, in de bouw en in de medische sector op tamelijk traditionele richtlijnen gebaseerd. Wanneer materialen en toepassingen op basis van duurzame grondstoffen meer ingang vinden, ontstaat een grotere acceptatiegraad om materialen ook te circuleren. Labrie: “Mensen hebben nu nogal moeite met het in circulariteit brengen van materialen en toepassingen op fossiele basis. De houding is vooral ‘not in my backyard’. Bedrijven en overheden kunnen veel meer een voortrekkersrol spelen als launching customer. Als zij er veel meer aan zouden doen, zou dat de ontwikkeling van producten op basis van duurzame grondstoffen veel meer stimuleren en daarmee ook de productketen. Dus iets meer pull dan alleen maar push. Als je laat zien dat producten uit materialen op basis van biomassa niet slechter zijn dan op basis van de traditionele grondstoffen en soms zelfs beter, ontstaat vanzelf meer acceptatie voor duurzame grondstoffen.”

De clusters moeten hun eigen focus houden. “Elk cluster heeft zijn eigen specifieke voordelen, laten we ervoor waken dat de clusters ook op die basis de Routekaart uitwerken. Maak gebruik van elkaars kennis, maar ga niet onderling concurreren, want dan ontstaat een sterke verwatering.”

 


Lees meer over dit onderwerp via de tag(s):
Berenschot
Chemie Magazine
Chemieclusters
100 jaar VNCI
Ecofys