Nienke Homan draagt voorzittershamer over: 'Juist in een wereld in crisis is verbinding cruciaal'
Op 12 mei legde Nienke Homan na drie jaar voorzitterschap van de VNCI de spreekwoordelijke hamer neer. Wij blikten met haar terug en keken vooruit. Wat kenmerkte voor haar de afgelopen periode, hoe ziet zij de toekomst van de chemische sector en wat neemt ze persoonlijk mee uit haar rol?
Tekst: Marrika van Beilen
Beeld: Natalia Balanin
Gepubliceerd: 13.05.2026
Gepubliceerd: 13.05.2026
Toen Nienke Homan in 2023 voorzitter van de VNCI werd, riep dat op verschillende plekken verbazing op. Hier en daar werd zelfs gesuggereerd dat zij zou zijn ‘overgestapt naar de vijand’. Zelf heeft Homan zulke zwart‑witte tegenstellingen nooit herkend. Vanuit haar achtergrond in zorg, welzijn en haar betrokkenheid bij natuur en milieu zag zij de stap juist als logisch. Als gedeputeerde in Groningen, met onder meer milieu en energietransitie in haar portefeuille, werkte zij al intensief samen met de industrie. Daar zag zij niet alleen de bron van een groot deel van de CO₂‑uitstoot, maar vooral ook de sleutel tot de oplossing: verduurzaming vraagt om industrie, infrastructuur, energie en grondstoffen. Vanuit die overtuiging twijfelde zij geen moment toen zij werd gevraagd voor het voorzitterschap.
Wat trof je aan toen je drie jaar geleden begon als voorzitter?
“Toen ik begon, draaide het sterk om de vraag: wat is eigenlijk het verhaal van de sector? Chemie werd geassocieerd met vervuiling en grote fabrieken, zonder duidelijke koppeling met dagelijkse producten. Ik wilde de link leggen tussen fabrieken en duurzame producten. Ik wilde die verbinding tussen producent en consument een slinger geven, daar was ook een breed gevoelde behoefte voor. Maar door de politieke realiteit, waaronder een gevallen kabinet en verkiezingen, kwamen we vrijwel meteen in een sterke lobby- en beïnvloedingsmodus terecht. Daardoor was er weinig ruimte om het verhaal in rust op te bouwen. Achteraf gezien is dat jammer, want stabiliteit heeft eigenlijk gedurende mijn hele voorzitterschap ontbroken. En ik vrees dat dat de nieuwe wereld is.”
Je voorzitterschap viel samen met een onrustige periode. Wat waren voor jou de meest bepalende dossiers?
“Toen ik begon lag de focus op verduurzaming en de rol van de chemische sector in de energietransitie. Dit speelde eerst vooral nationaal, maar verschoof gaandeweg naar het internationale speelveld. Internationale
concurrentie, zowel binnen Europa, als Europa met de rest van de wereld, werd steeds bepalender en beïnvloedde het debat over investeringsklimaat. Een van de oplossingen werd gevonden in vraagcreatie: duurzame producten en dito businessmodellen stimuleren door in ieder product een percentage duurzame grondstoffen te eisen. Daarvoor is veel nodig, zoals afspraken in de keten. De afgelopen jaren werd ook weerbaarheid steeds belangrijker. Verduurzaming en strategische autonomie zijn steeds sterker verweven. Afhankelijkheid van energie, grondstoffen en infrastructuur maakt kwetsbaarheden zichtbaar. Ten slotte is water een urgent en nog onderbelicht thema. De Kaderrichtlijn Water, vergunningverlening en waterbeschikbaarheid vragen toenemende aandacht. Water wordt een strategisch thema voor de sector.”
De chemische sector ligt maatschappelijk onder een vergrootglas. Wat vond je het moeilijkst om uit te leggen aan politiek en samenleving?
“De waarde van de chemische sector zelf vond en vind ik niet moeilijk om uit te leggen. In het overgrote deel van de producten die we dagelijks gebruiken, zit een chemisch proces. Dat is goed te duiden, ook zonder technische achtergrond. Wat ik ingewikkelder vond, is dat Nederland geen uitgewerkte langetermijnvisie op de industrie heeft. Daardoor ontstaat het beeld dat industrie vooral een bron is waar geld, ruimte of arbeid uit gehaald kan worden als dat nodig is. Een helder verhaal over wat we als samenleving van de industrie verwachten, en omgekeerd, ontbreekt nog te vaak, al zijn er inmiddels wel belangrijke aanzetten gedaan.”
Waar heeft de sector vooruitgang geboekt in verduurzaming en waar loopt het vast?
“Het is eigenlijk jammer dat dit geen heel concreet antwoord heeft. De grootste vooruitgang zit niet zozeer in tastbare productdoorbraken, maar in het groeiende besef dat verduurzaming alleen lukt als je het in de hele keten organiseert. Er is meer aandacht gekomen voor samenwerking met afnemers, diversificatie van grondstoffen en het gezamenlijk organiseren van stappen richting duurzaamheid. Tegelijkertijd duren processen lang en zijn randvoorwaarden vaak nog niet op orde. De overheid werkt veelal met inspanningsverplichtingen, terwijl bedrijven resultaatverplichtingen hebben en daar wringt het. Wat mij betreft krijgt ook de consument een grotere rol. De sleutel ligt bij de afnemers, als zij duurzaamheid kopen, komt de markt voor duurzame producten echt wel op gang.”
Wat vraagt het voorzitterschap van een branchevereniging als de VNCI?
“Het vraagt vooral dat je er bent voor alle leden. De sector is zeer divers: multinationals met internationale aandeelhouders maken andere keuzes en hebben andere behoeften dan bedrijven die sterk regionaal zijn verankerd. Startups, scale-ups en gevestigde bedrijven verschillen bovendien in tempo, middelen en behoefte. De kunst is steeds om te zoeken naar wat verbindt. Dat zijn de randvoorwaarden: duurzame energie en grondstoffen, infrastructuur, snelle vergunningverlening en een afzetmarkt voor duurzame producten. Tegelijk vraagt het om maatwerk, omdat bedrijven verschillende mogelijkheden hebben om actief mee te doen.”
Wat zie jij als de grootste strategische uitdagingen voor de komende tien jaar?
“Ten eerste de kwetsbaarheid van de chemische clusters. De ketens zijn complex en sterk verweven. Als één schakel wegvalt, heeft dat grote gevolgen. De uitdaging zit in het versterken van die ketens en het organiseren van regie: wie neemt het voortouw en hoe borg je continuïteit? Wat als een essentieel bedrijf wegvalt, wie stapt dan in? Misschien moet dat wel de overheid zijn met aandelen in groene bedrijven die een essentiële rol in de keten hebben. Ten tweede is er de noodzaak om te blijven werken aan de lange termijn. De focus op overleven is begrijpelijk, maar mag niet ten koste gaan van strategische ontwikkeling. Stilstand is achteruitgang, en dat risico ligt voortdurend op de loer.”
Waar ligt volgens jou de kracht van de Nederlandse chemische sector, ook internationaal?
“Er is geen circulaire economie zonder chemie. De kracht zit in kennis, infrastructuur en goed ontwikkelde ketens. De uitdaging is om die kracht hier te behouden en te vertalen naar nieuwe oplossingen, bijvoorbeeld door anders te ontwerpen. Safe and sustainable by design is daar een goed voorbeeld van. Dat is het Dutch Design van de toekomst. Minder, maar kwalitatief betere en duurzame producten.”
Zie je een rol voor AI in de chemische sector?
“Zeker. AI kan helpen bij het analyseren van data en het verkennen van nieuwe oplossingen. Tegelijk is het geen wondermiddel: AI maakt niets. Uiteindelijk heb je altijd productie en industrie nodig. Het risico is dat we AI vooral als abstracte oplossing zien en vergeten te koppelen aan fysieke productie. Willen we concurrerend blijven, dan moeten digitalisering, data en industrie veel sterker samenkomen.”
Wat neem je persoonlijk mee uit deze rol?
“Ik ben voorzichtiger geworden in tempo en positionering, omdat omstandigheden voortdurend veranderen. Tegelijk ben ik stelliger geworden op punten die echt noodzakelijk zijn voor de toekomst, zoals strategische autonomie en weerbaarheid. De wereld is grilliger geworden en dat vraagt om meer reflectie op risico’s en afhankelijkheden voor Nederland, Europa en de chemische industrie. Het vraagt ook om keiharde maatregelen, zoals de inzet van een crisis- en herstelwet-achtige aanpak. Want als dit geen crisis is, weet ik het ook niet meer.”
Wat zou je je opvolger willen meegeven?
“Verduurzaming is de sleutel tot een weerbare industrie. Hou vast aan maatregelen die dat stimuleren. Luister goed naar alle leden en blijf altijd de korte en lange termijn met elkaar verbinden. Blijf samenwerken in de keten, over sectoren heen, aan gezamenlijke businesscases en transities. Juist in een rumoerige wereld is die verbinding cruciaal.”