Europarlementariër Brigitte van den Berg: ‘Onbeperkte vrijhandel maakt Europa kwetsbaar’
Terwijl grootmachten hun eigen spel spelen en de belofte van vrije wereldhandel steeds verder afbrokkelt, groeit de vraag: hoe blijft onze industrie weerbaar, duurzaam én concurrerend? Brigitte van den Berg, Europarlementariër voor D66, is er stellig over: “Als wij als enigen blijven geloven in onbeperkte vrijhandel, maken we onszelf kwetsbaar.”
Tekst: Ingeborg Abendanon
Beeld: Europees Parlement
Gepubliceerd: 20.07.2026
Gepubliceerd: 20.07.2026
Brigitte van den Berg is Europarlementariër voor D66. In Brussel zet zij zich in voor een sterke, duurzame Europese industrie, strategische autonomie en de verbetering van de positie van vakmensen, onder andere door betere erkenning van vakdiploma’s en meer mobiliteit binnen Europa.
Je benadrukt dat Made in Europe hard nodig is. Waarom en welke problemen pakken we hiermee aan?
“De wereldhandel werkt niet meer zoals wij die jarenlang hebben gekend. Grote machtsblokken als China en de Verenigde Staten kiezen steeds nadrukkelijker voor hun eigen belangen, terwijl wij in Europa blijven vasthouden aan het ideaal van volledige vrijhandel. Als we dat als enigen blijven doen, maken we onszelf kwetsbaar en zetten we onze eigen industrie op achterstand. Daarom moeten we opnieuw kijken naar wat we zelf kunnen en willen produceren. Dat gaat over strategische autonomie: zorgen dat we essentiële producten, grondstoffen en energie zelf kunnen blijven leveren. Dat is niet alleen economisch verstandig, het is ook een kwestie van veiligheid en leveringszekerheid. Een continent zonder industrie heeft geen toekomst. Als we onze maakindustrie laten verdwijnen, ondermijnen we onze innovatiekracht, onze werkgelegenheid en uiteindelijk onze welvaart. Made in Europe is een strategische keuze om onze hele keten - van grondstof tot eindproduct - hier te behouden en te versterken. En het is onmisbaar voor de groene transitie. Want als wij hier strenge klimaatregels invoeren, maar onze productie laten verplaatsen naar landen met lagere standaarden, dan verschuiven we alleen het probleem. Juist door de industrie in Europa te houden én te verduurzamen, kunnen we echt vooruitgang boeken.
Met Made in Europe pakken we drie grote problemen tegelijk aan: oneerlijke concurrentie die onze bedrijven uit de markt drukt, gevaarlijke afhankelijkheid van andere landen en het verdwijnen van onze eigen industrie. Tegelijk zorgen we voor een eerlijke markt voor duurzame producten én houden we het vakmanschap in Europa in stand.”
Een paar jaar geleden zouden deze maatregelen nog ondenkbaar zijn. Wat is er fundamenteel veranderd dat we als Europa nu wel deze koers kiezen?
“Wat we echt hebben zien kantelen, is de rol van de Verenigde Staten. Toen Trump openlijk aanspraak maakte op Groenland, werd mij in elk geval duidelijk dat we niet meer kunnen uitgaan van vanzelfsprekende bondgenootschappen of gedeelde spel-regels. Als zelfs traditionele partners zo nadrukkelijk hun eigen belang vooropstellen, moeten wij in Europa realistischer worden en zorgen dat we niet afhankelijk blijven van partijen die morgen zomaar een andere koers kunnen kiezen.”
Is Made in Europe een economisch instrument of een klimaatmaatregel?
“Het is niet óf economisch óf een klimaatmaatregel: het moet hand in hand gaan. We moeten onze industrie verduurzamen, maar het kan niet zo zijn dat die daarna uit Europa verdwijnt. Dan lossen we niets op. Zonder eigen industrie hebben we geen toekomst, en zonder het halen van onze klimaatdoelen geen leefomgeving.”

Critici vrezen dat Europese producten te duur worden en dat consumenten die prijs niet willen betalen. Hoe kijk jij tegen die zorg aan?
“Ik denk dat we daar eerlijk over moeten zijn. Sommige producten zullen duurder worden. Maar dat komt ook omdat we eindelijk de werkelijke kosten gaan meerekenen, zoals de impact op het klimaat en onze leefomgeving. Die hebben we jarenlang buiten beschouwing gelaten. Tegelijkertijd moeten we het niet alleen als een kostenverhaal zien. Door meer zelf in Europa te produceren, creëren we ook zekerheid: dat producten beschikbaar blijven en dat we niet afhankelijk zijn van landen die morgen de kraan kunnen dichtdraaien. Bovendien vraagt dit ook iets van ons als samenleving. We zullen anders moeten gaan kijken naar consumptie, minder gericht op zo goedkoop mogelijk en wegwerpartikelen, maar meer op kwaliteit, duurzaamheid en reparatie. Uiteindelijk levert dat stabiliteit, onafhankelijkheid en een duurzamer economisch model op.”
Hoe voorkomen we dat Made in Europe omslaat in (nieuwe) handelsspanningen of een handelsoorlog?
“We moeten zorgvuldig omgaan met onze handelsrelaties. Made in Europe betekent niet dat we ons volledig achter de dijken moeten terugtrekken. We hebben ook betrouwbare partners buiten Europa met wie we goed kunnen samenwerken. Maar we moeten wel onderscheid maken: met landen die onze waarden delen kun je open handel blijven voeren, terwijl je richting partijen die het spel anders spelen realistischer en steviger moet optreden.”
Als een product te duur wordt of uit een land met een handelsverdrag komt, dan vervalt de verplichting om verplicht in Europa te ‘shoppen’. Goed of juist niet?
“Ik snap dat je uitzonderingen wilt inbouwen, maar met zo’n vaste grens, bijvoorbeeld dat het dertig procent duurder mag zijn, maak je jezelf juist kwetsbaar. Je geeft landen als China daarmee een target. Die gaan er precies onder zitten en blijven hun producten hier dumpen. China voert een soort supermarktoorlog met ons. Wij doen soms nog alsof we in een nette handelsrelatie zitten, maar China is echt als een pyromaan bezig om onze markt in de fik te steken. Met uitzonderingen help je je eigen industrie dus niet beschermen.”
Werkgelegenheid is een belangrijk aspect van Made in Europe. Wat is jouw visie op het belang van beroepsonderwijs hierin?
“Precies dit punt is voor mij cruciaal! Made in Europe kan alleen slagen als we weer investeren in vakmanschap. We hebben te lang alleen naar de kenniseconomie gekeken, terwijl we juist mensen nodig hebben die iets kunnen maken. Zonder mbo’ers en hbo’ers stort die hele strategie in. Voor het universitair onderwijs hebben we het in Europa goed geregeld met bachelor- en masterstructuren, die overal erkend worden. Maar voor het beroepsonderwijs bestaat die uitwisselbaarheid nog nauwelijks. Daarom moeten we vakopleidingen veel meer waarderen, beter belonen én zorgen dat mensen hun vak ook echt over de grens kunnen uitoefenen. En als ik daar meteen een oproep aan de chemiebedrijven aan mag koppelen. Zorg voor stageplekken! Ik snap dat de industrie het moeilijk heeft, maar juist nu moeten bedrijven blijven investeren in de toekomst. Het tekort aan stageplekken is enorm. Studenten zijn soms maanden bezig om iets te vinden en stoppen soms zelfs met hun opleiding. Maak, ondanks de lastige omstandigheden, ruimte voor stages. Zonder goede vakmensen is er straks ook geen industrie in Europa.
Brigitte werd geïnterviewd voor Chemie Magazine in het kader van het thema Made in Europe. Je leest de volledige special hier.