Duurzame grondstoffen: 'We moeten nú beginnen om straks voldoende te hebben'
De overgang van fossiele naar duurzame grondstoffen voor de producten van morgen is een cruciale pijler in de materialentransitie voor de chemische industrie. Vooralsnog zijn er bij lange na niet genoeg duurzame grondstoffen beschikbaar en bovendien zijn ze veel te duur. Hoe lossen we dit op?
Tekst: Adriaan van Hooijdonk
Beeld: Shutterstock
Gepubliceerd: 21.10.2025
Gepubliceerd: 21.10.2025
De VNCI benadrukt in haar strategie 2025-2029 Sterke industrie voor een sterk Nederland dat de materialentransitie nú moet beginnen om over tien tot vijftien jaar voldoende schaalgrootte te bereiken. “Daarvoor moeten wet- en regelgeving én alle andere randvoorwaarden in Nederland nu op orde zijn, zodat nieuwe en bestaande bedrijven hun verduurzaming hier uitvoeren”, zegt Yannic Wevers, beleidsadviseur Duurzaamheid en Materialentransitie bij de VNCI. “Bovendien willen we dat de omgevingsfactoren in Nederland zó positief zijn dat het aantrekkelijk blijft om hier te investeren en internationaal concurrerend te blijven.”
Veel te klein aanbod
Doel van de materialentransitie is om fossiele grondstoffen (olie en gas) te vervangen door groene bouwstenen uit duurzame alternatieven. Daarvoor is het essentieel om een markt voor duurzame producten te ontwikkelen en te zorgen voor voldoende beschikbaarheid van alternatieve koolstofbronnen. “Het aanbod is echter veel te klein, horen wij van onze leden”, stelt Wevers. “Bovendien zijn ze veel duurder in vergelijking met fossiele grondstoffen.”
Downstream users, waaronder Mengend Nederland, waarschuwden eind 2021 al dat de beperkte beschikbaarheid van duurzame grondstoffen het behalen van de doelstelling van het duurzame stoffenbeleid bemoeilijkt. De Europese Commissie streeft er immers naar dat bepaalde producten in 2030 voor minimaal twintig procent uit circulaire grondstoffen bestaan.
Drie bronnen
Waar moeten deze duurzame grondstoffen vandaan komen? De VNCI onderscheidt drie bronnen, namelijk biogrondstoffen, plastic en organisch afval en afgevangen CO2. De toepassing is echter niet zo eenvoudig als het lijkt. Elke bron kent zijn eigen uitdagingen en kansen. Biogrondstoffen kunnen afkomstig zijn van voedselgewassen (eerste generatie), reststromen uit landbouw en voedselindustrie (tweede generatie), of micro-organismen zoals algen (derde generatie). Hoewel tweede en derde generatie biogrondstoffen geen directe concurrentie vormen met voedselproductie, is de beschikbaarheid beperkt.
Plastic en organisch afval vormen een andere belangrijke bron. Door deze stromen efficiënt te scheiden en te recyclen, kunnen waardevolle koolstofverbindingen worden teruggewonnen. Dit vereist echter geavanceerde technologie en een goed functionerende infrastructuur voor inzameling en verwerking.
Afgevangen CO₂ biedt een derde route. Door CO₂ uit industriële processen of de lucht te halen en om te zetten in chemische bouwstenen, kan de afhankelijkheid van fossiele grondstoffen worden verminderd. Deze technologie staat nog in de kinderschoenen, maar biedt op termijn potentie.
Wevers stelt dat behoud van de huidige schaalgrootte in de chemische industrie alleen mogelijk is als Nederland inzet op alle drie de routes, waarbij import essentieel is. Alleen gewassen/reststromen en afval van Nederlandse bodem zijn daarvoor bij lange na niet genoeg. De huidige hoeveelheid geïmporteerde olie en gas die vervangen moet worden, is daar te groot voor.
Bijmengverplichting
Het voorbeeld van de bijmengverplichting in de brandstofsector laat zien dat mandateringen kunnen bijdragen aan marktontwikkeling en het creëren van vraag, waardoor bedrijven voldoende zekerheid krijgen om te investeren in duurzame productiecapaciteit. Voor materiaaltoepassingen zou een vergelijkbare aanpak kunnen gelden, waarbij minimumeisen worden gesteld aan het aandeel duurzame grondstoffen in eindproducten op de Europese markt.
Afval is eveneens een belangrijke bron voor duurzame grondstoffen. Denk aan plastic of organisch afval. De Nederlandse chemische en plasticindustrie willen fors meer gerecycled plastic gebruiken, maar er dreigt een groot tekort aan grondstof. Zo berekende KPMG in 2023 in het onderzoek ‘Plastic grondstoffen voor recycling’ dat het aanbod van plastic afval in 2030 blijft steken op zo’n duizend kiloton. Het onderzoek werd uitgevoerd in opdracht van de Vereniging Afvalbedrijven (VA), de VNCI, Plastics Europe Nederland en de Versnellingstafel Chemische Recycling. Door nieuwe Europese en nationale regels zijn fabrikanten echter verplicht meer recyclaat in producten te verwerken. Zonder extra maatregelen kan de industrie de Europese doelen voor klimaatneutrale productie en een circulaire plastic keten niet halen, waarschuwt Wevers. “Afval is een waardevolle grondstof. Daarom zou de overheid ook een exportverbod kunnen overwegen.”
Europees verband
De VNCI is geen voorstander van een nationale normering op plastic als dit niet in lijn is met Europees beleid of leidt tot een verslechtering van de concurrentiepositie voor de industrie in Nederland. Dat is niet het juiste middel om tot een snelle reductie van de CO2-uitstoot en de opbouw van een circulaire kunststofketen te komen. Wevers. “We willen best vooroplopen, maar niet als Nederland alleen. De bijmengverplichting voor recyclaat en biogrondstoffen moet in Europees verband gebeuren.”
Daarnaast moet de wet- en regelgeving om afval eenvoudiger over grenzen te transporteren worden herzien. De huidige EU-regels voor het verschepen van afval vereisen dat recyclers in de EU een goedkeuringsprocedure doorlopen voordat plastic afval over grenzen binnen de Unie mag worden getransporteerd. Deze complexe zogeheten ‘pre-consentprocedure’, waarbij goedkeuring soms tot wel vier jaar op zich laat wachten, moeten recyclers voor elk afvaltransport opnieuw doorlopen. “Vrij verkeer van afval is essentieel”, aldus Wevers.
Einde afvalstatus
Daarnaast dringt de VNCI aan op aanpassing van de zogenoemde einde-afvalstatus in Europese wetgeving. Nu is het proces om afval officieel de status van grondstof te geven vaak traag en ingewikkeld, waardoor waardevolle reststromen onnodig worden verbrand of gestort. Volgens de VNCI is een soepelere en snellere procedure cruciaal om meer circulaire grondstoffen in te zetten en de afhankelijkheid van fossiele grondstoffen te verkleinen. Dat versnelt de transitie naar een klimaatneutrale en circulaire economie en helpt bedrijven te voldoen aan Europese duurzaamheidsdoelen.
“Die einde-afvalstatus moet duidelijker worden,” zegt Wevers. “Nu is het proces in elk land anders geregeld, soms zelfs op regionaal of gemeentelijk niveau. Daardoor ontbreekt eenduidigheid. Europa werkt aan harmonisatie, maar dat betekent dat het toezichtsysteem op de schop moet en de bevoegdheid bij de Europese wetgever komt te liggen. Veel landen, provincies en gemeenten willen die zeggenschap echter niet afstaan. Het is vooral een bureaucratisch probleem.”
Verder pleit de VNCI ervoor om meer afval te recyclen in plaats van het te verbranden voor energieopwekking. Ook moet er genoeg aanlandingscapaciteit in grote havens, zoals Rotterdam, zijn om de geïmporteerde duurzame grondstoffen verder te kunnen verwerken.
Toepassing van afgevangen CO2 is vooralsnog een vergezicht. De technology readiness niveaus zijn nog te laag voor grootschalige toepassing. Ook komt het financieel nog niet uit en zijn er grote hoeveelheden duurzame energie nodig voor de chemische reactie om van CO2 koolstofverbindingen te maken.
Prijs en ketenhygiëne
Grondstoffen uit duurzame bronnen hebben in de basis vaak een hogere prijs dan haar fossiele alternatieven. Daarbij komt nog de prijsopbouw in lange productieketens. “Als aan het begin een duurzame grondstof één euro duurder is, wordt dat in een keten van vijf schakels tot wel vijf euro duurder”, zegt Wevers. “Iedereen zet er een opslag op omdat het ‘groen’ is. Dat maakt het eindproduct fors duurder.”
De VNCI zet daarom ook volop in op vraagcreatie om de investeringen in duurzaamheid en daarmee gepaard gaande hogere kosten te kunnen doorbelasten op een logische plek in de keten. Door wettelijke afspraken te maken over mandateringen en de verdeling van de kosten in de keten, kan de business case en daarmee opbouw van duurzame productiecapaciteit pas echt in gang worden gezet.
De Circulaire Plastic Tafel is een voorbeeld hoe merkfabrikanten en andere ketenpartners in nationaal verband bovenwettelijk afspraken maken over de inzet van extra recyclaat en biogrondstoffen in hun producten. De samenwerkende partijen zijn ervan overtuigd dat de productie en gebruik van circulaire plastics kunnen worden opgeschaald door in het beleid naar álle delen van de kunststofketen te kijken. Daarnaast moeten brand owners de duurzame grondstoffen daadwerkelijk gaan afnemen. “Dat is cruciaal om de markt op gang te brengen”, aldus Wevers. Hij hoopt dan ook dat een nieuw kabinet ook inziet dat industrie cruciaal is voor onze welvaart en dat het inzet op een gelijk speelveld met omringende landen. “Behoud van de industrie én verduurzaming moeten hand in hand gaan.”
Het tekort aan duurzame grondstoffen is geen natuurwet, maar vraagt om gecoördineerd beleid, investeringen en Europese samenwerking. Wevers: “Het duurt jaren voordat nieuwe duurzame technologieën operationeel zijn. Daarom moeten we vandaag de knelpunten aanpakken, zodat we in 2050 een écht duurzame chemie hebben.”
Wat wil de VNCI?
- Ontwikkel beleid voor de marktvraag naar duurzame producten en de beschikbaarheid van circulaire grondstoffen. Neem daarbij knelpunten in de implementatie weg, zoals het verkrijgen van een einde-afvalstatus en geef wettelijke duidelijkheid over het gebruik van de massabalansmethodiek.
- Stimuleer innovatie gericht op nieuwe processen, circulaire materialen en strategische grondstoffen.
- Zoek actief samenwerking met ketenpartners en overheid. Ontwikkel circulaire waardeketens door het aanbod van circulaire grondstoffen af te stemmen op de (downstream) vraag naar duurzame producten.