Directeur-generaal Cefic Marco Mensink: 'Zoek de randen van staatssteun op'

De chemische industrie is het fundament van de Europese economie. Het levert de bouwstenen voor vrijwel alle andere sectoren, zoals energie, landbouw, farmacie, mobiliteit en bouw. Maar bestaat die industrie nog over tien, twintig jaar? Of zijn we dan grotendeels afhankelijk van landen als China en India? Made in Europe moet het tij keren. Volgens Marco Mensink, directeur-generaal van de brancheorganisatie Cefic, is deze strategie essentieel om de Europese chemie concurrerend, duurzaam en strategisch autonoom te houden in een snel veranderende wereld.

Tekst: Ingeborg Abendanon
Beeld: Cefic
Gepubliceerd: 06.07.2026

De Europese chemische industrie staat op een kantelpunt. Stijgende kosten, geopolitieke onzekerheid en groeiende concurrentie van buiten Europa zetten de sector onder druk. Tegelijk groeit het besef dat het behoud van productie, innovatie en strategische autonomie essentieel is om Europa economisch sterk te houden, afhankelijkheden te verminderen en duurzame groei en werkgelegenheid veilig te stellen. Dat vraagt om duidelijke keuzes: over wat we in Europa willen behouden, waar we in investeren en hoe we de industrie toekomstbestendig maken.

Chemie Magazine publiceerde een themanummer over Made in Europe en sprak daarvoor met Marco Mensink, Floris Hekster (vice president Operations bij Sonneborn) en Brigitte van den Berg (Europarlementariër voor D66). 

Made in Europe is ontstaan tegen de achtergrond van toenemende geopolitieke spanningen, verstoringen in wereldwijde toeleveringsketens en groeiende zorgen over het verlies van industriële capaciteit in Europa. Met name sinds de COVID-19-pandemie en de energiecrisis is duidelijk geworden hoe afhankelijk de EU is geworden van externe leveranciers voor grondstoffen, energie en essentiële producten. Tegelijkertijd verplaatsen bedrijven productie naar regio’s met lagere kosten en minder strenge regelgeving, waardoor de Europese industrie onder druk komt te staan. Als reactie hierop heeft de Europese Unie haar industriebeleid aangescherpt, met initiatieven gericht op strategische autonomie, verduurzaming en concurrentiekracht. Made in Europe komt voort uit deze bredere beweging en heeft als doel productie, innovatie, werkgelegenheid en investeringen in Europa te behouden. Daarmee wil de EU haar industriële basis beschermen, verduurzamen en toekomstbestendig maken in een steeds competitiever en onzekerder mondiaal speelveld.

Marco Mensink is sinds 2016 directeur-generaal bij Cefic, de Europese koepelorganisatie van de chemische industrie, en daarmee een van de belangrijkste stemmen in het debat over de toekomst van de sector. Hij benadrukt consequent dat Europa zijn industriële basis moet behouden en versterken om economisch en strategisch relevant te blijven.

Hoe leg jij Made in Europe uit?

“Made in Europe betekent voor mij dat we er bewust voor kiezen om onze belangrijkste productieketens weer deels in Europa te verankeren. Dat we zeggen: minimaal een derde van wat we nodig hebben, kopen en maken we hier zelf, zodat we minder afhankelijk zijn van de rest van de wereld. Maar het is meer dan dat. Ik spreek liever over ‘Proud to buy Made in Europe’. Want Made in Europe kan klinken als verplichting, alsof het moet. ‘Proud to buy’ is een keuze: dat we bereid zijn om misschien iets meer te betalen, omdat we begrijpen wat daarachter zit. Banen voor onze kinderen, economische stabiliteit en een sterke en duurzame industrie in Europa.”

Waarom is deze strategische keuze juist nu zo belangrijk?

“We zijn ons eindelijk bewust geworden van het feit hoe afhankelijk we zijn van andere delen van de wereld, bijvoorbeeld voor essentiële grondstoffen. Tegelijkertijd zijn we gewend geraakt aan een model waarin we altijd voor de goedkoopste optie kiezen, waar ook ter wereld. Maar dat model heeft een prijs. Het maakt ons kwetsbaar en ondermijnt onze eigen industrie. Als we dat blijven doen, houden we uiteindelijk geen industrie meer over in eigen regio. Made in Europe dwingt ons om die realiteit onder ogen te zien en andere keuzes te maken. Ja, dat kan betekenen dat producten iets duurder worden, maar daar staat tegenover dat we investeren in onze eigen economie, in banen voor toekomstige generaties en in een stabiele en duurzame industriële basis. Uiteindelijk is het een fundamentele keuze. Willen we alleen het hoogste rendement op korte termijn, of zorgen we er ook voor dat onze kinderen straks nog werk hebben in een sterke Europese economie?”

Wat is er nodig om Made in Europe van de grond te krijgen?

“Het begint met een eerlijk debat. Het voorstel dat er ligt, wordt vaak neergezet als een vorm van dwang, maar dat klopt gewoon niet. Het gaat erom dat overheden bij hun eigen aanbestedingen een voorkeur mógen geven aan Europese producten, zo’n dertig procent. En alleen als het hier niet te krijgen is, koop je het elders. Dat is dus geen gesloten Europa, maar een bewuste keuze. Daarnaast is het cruciaal dat Europa intern tot een eerlijk compromis komt. We moeten voorbij de karikaturen van ‘Franse plannen’ en ‘Duitse weerstand’ en erkennen dat alle landen belang hebben bij een sterke industriële basis in Europa. Dat vraagt dat alle lidstaten water bij de wijn doen en echt naar het gezamenlijke Europese belang kijken. En we moeten niet zo bang zijn om onze industrie actief te ondersteunen. Landen om ons heen doen dat al. Wees realistischer en minder naïef. Zoek de randen van staatssteun op! Met gerichte staatssteun, slimme voorwaarden en een gelijk speelveld zorg je dat investeren in Europa ook echt kan concurreren. Want als we dat niet doen, verliezen we stap voor stap hele ketens en blijft er uiteindelijk gewoon niets over.”

Hoe staat de chemische industrie er over tien, twintig jaar voor volgens jou en wat is er nodig de komende jaren?

“Het eerlijke verhaal is dat ik geen simpele voortzetting zie van wat we vandaag hebben. Het wordt een industrie waarin we veel scherper keuzes moeten maken. We kunnen niet alles behouden. Er komt een vorm van triage, waarin bedrijven en overheden bepalen welke bedrijven toekomst hebben én welke niet. De realiteit is dat de sector waarschijnlijk kleiner wordt, maar dat wat overblijft, kan wel sterker, innovatiever en concurrerender zijn.

'Made in Europe betekent voor mij dat we er bewust voor kiezen om onze belangrijkste productieketens weer deels in Europa te verankeren'

Dat vraagt om moeilijke beslissingen. Je moet durven erkennen dat sommige activiteiten hier simpelweg niet meer rendabel of toekomstbestendig zijn, zeker niet met de energieprijzen en de kostenstructuur in Europa. Tegelijk moet je voorkomen dat je geld blijft steken in onderdelen die eigenlijk geen toekomst hebben. De kernvraag wordt: investeren we in de juiste dingen, of houden we het verleden kunstmatig in stand?

Daarnaast moet er vraag gecreëerd worden. Bedrijven moeten nu investeren in nieuwe technologieën en duurzame processen, terwijl de businesscase vaak nog niet rond is. Ondernemers staan voor hoge investeringskosten, hoge operationele kosten en nog onvoldoende marktvraag. Zonder die vraagontwikkeling blijft het heel moeilijk om die transitie daadwerkelijk te maken.

Je zult ook zien dat de industrie zich veel meer gaat concentreren op logische plekken in Europa, waar infrastructuur, energie en grondstoffen in sterke clusterverbanden samenkomen. Denk aan locaties waar je circulariteit kunt organiseren, waar afvalstromen samenkomen en waar bestaande chemieclusters al aanwezig zijn. Dat vraagt ook om meer Europese samenwerking in plaats van nationale reflexen. Minder denken in individuele landen, meer in één geïntegreerd industrieel systeem.

En misschien wel het belangrijkste, we zullen anders moeten gaan nadenken over schaal en samenwerking. In plaats van versnippering hebben we Europese ‘kampioenen’ nodig die wereldwijd kunnen concurreren. Dat betekent soms accepteren dat activiteiten niet per se in je eigen land plaatsvinden, maar wel in Europa en dus bijdragen aan het grotere geheel.

Als we dat allemaal bij elkaar brengen - scherpe keuzes, gerichte investeringen, vraagcreatie, sterke clusters en echte Europese samenwerking - dan zie ik absoluut een toekomst voor de chemische industrie in Europa. Niet als de grootste ter wereld, maar wel als een slimme, duurzame en technologisch leidende industrie die hier waarde en banen blijft creëren.”

'Wat Europa nu moet doen, is duidelijke prioriteiten stellen en daar volledig op inzetten'

Wat is de rol van Cefic bij Made in Europe?

“In essentie zijn wij de stem van de Europese chemische industrie in Brussel. We brengen de sector bij elkaar en zorgen dat er één helder, gezamenlijk geluid klinkt richting beleidsmakers. Dat is cruciaal, want alleen als we als industrie eensgezind optreden, kunnen we echt invloed uitoefenen op de koers van Europa.

Daarnaast zijn we actief bezig met het aanjagen van de discussie over vraagcreatie. Hoe zorg je dat er ook echt een markt ontstaat voor duurzame en Europese producten? In die vraagcreatie trekken we nadrukkelijk de kar. Tegelijkertijd zitten we midden in de beleidsdialoog, bijvoorbeeld rond voorstellen en compromissen die in Europa op tafel liggen. We duwen het debat vooruit zodat Made in Europe niet alleen een idee blijft, maar ook daadwerkelijk vorm krijgt in beleid en praktijk.”

Wat kan de Europese politiek doen?

“Die heeft een doorslaggevende rol in het slagen van Made in Europe, maar moet wel sneller en gerichter opereren. Het grote verschil met landen als de VS en China is dat zij met één besluit beleid kunnen doorvoeren, terwijl wij werken met een uitgebreid wetgevingsproces dat tijd kost. Dat heeft als voordeel dat ons beleid stabieler is, maar het nadeel is dat we soms simpelweg te langzaam zijn in een wereld die snel verandert.

Wat Europa nu moet doen, is duidelijke prioriteiten stellen en daar volledig op inzetten. De energietransitie en een sterke industriële basis horen daarbij samen bovenaan te staan. Dat betekent keuzes maken, versnellen waar mogelijk en zorgen dat beleid ook echt op de werkvloer terechtkomt.

'We zijn ons eindelijk bewust geworden van het feit hoe afhankelijk we zijn van andere delen van de wereld, bijvoorbeeld voor essentiële grondstoffen'

Tegelijk is er al meer mogelijk dan vaak wordt gedacht. De Europese Commissie heeft de afgelopen jaren juist veel ruimte gecreëerd, bijvoorbeeld voor staatssteun en lagere energiekosten voor de industrie, maar die mogelijkheden worden nog niet overal benut. Een cruciaal punt: het gaat niet alleen om nieuw beleid maken, maar ook om het daadwerkelijk toepassen van wat er al is afgesproken.”

En tot slot: wat moet de industrie zelf doen?

“Uiteindelijk komt Made in Europe ook neer op de vraag wie de rekening betaalt van de transitie. De burger of het bedrijfsleven? En daar hebben ondernemers zelf een belangrijke rol in. Wat je ziet, is dat de industrie vroeger veel zichtbaarder en verankerd was in de samenleving. De fabrieksdirecteur was een ‘notabele’, iemand die iedereen kende en die midden in de gemeenschap stond. Dat gevoel zijn we deels kwijtgeraakt, zeker bij grote industriële complexen waar mensen nauwelijks nog weten wat er gebeurt.

Wat ondernemers moeten doen, is die verbinding herstellen. Door echt onderdeel te zijn van de samenleving en te laten zien wat je doet, waarom dat relevant is en wat je bijdraagt. Als mensen begrijpen dat een bedrijf werkgelegenheid biedt, investeert in de regio en belasting betaalt, ontstaat er ook draagvlak. Dan zijn burgers eerder bereid om die industrie te steunen, ook als dat betekent dat bepaalde keuzes iets duurder uitvallen.

Dus ja, beleid en politiek zijn belangrijk, maar bedrijven kunnen niet langs de zijlijn blijven staan. Ze moeten investeren in hun maatschappelijke rol en weer zichtbaar, herkenbaar en relevant worden voor de omgeving. Want zonder dat vertrouwen en die ‘gunfactor’ vanuit de samenleving wordt het heel moeilijk om Made in Europe echt te laten slagen.”

Made in Europe is een strategische keuze om de Europese industrie sterker, duurzamer en minder afhankelijk te maken. In een wereld van toenemende concurrentie en onzekerheid onderstreept deze aanpak waarom het cruciaal is om productie en innovatie in Europa te behouden en te versterken. 

Strategische autonomie 
Europa wil minder afhankelijk zijn van landen buiten de EU voor essentiële grondstoffen en producten. Lokale productie vergroot de leveringszekerheid in tijden van geopolitieke onzekerheid. 

Behoud van industrie en banen
De Europese industrie – inclusief de chemie – staat onder druk door hoge kosten en internationale concurrentie. Made in Europe helpt productie, werkgelegenheid en kennis in Europa te behouden. 

Versnelling van de energietransitie
Voor de ontwikkeling van duurzame oplossingen (zoals waterstof, batterijen en circulaire materialen) is een sterke industriële basis nodig. Lokale productie versnelt innovatie en opschaling. 

Eerlijker speelveld
Europese bedrijven opereren vaak onder strengere regels dan concurrenten buiten de EU. Deze strategie ondersteunt een gelijker internationaal speelveld.

Economische weerbaarheid
Kortere en robuustere ketens maken Europa minder kwetsbaar voor crises en verstoringen, en versterken de concurrentiekracht op lange termijn.