Chemische stoffen, goed geregeld?
De VNCI liet eerder dit jaar onderzoek doen naar de beleving van chemische stoffen bij experts en consumenten. Er waren verschillen, maar een belangrijke overeenkomst was de behoefte aan heldere informatievoorziening. Welke rol heeft het RIVM hierin en hoe kijkt ngo ChemSec ernaar?
Tekst: Igor Znidarsic
Beeld: Curve
Gepubliceerd: 02.06.2026
Gepubliceerd: 02.06.2026
Veel informatie van de overheid over (de risico’s van) chemische stoffen is afkomstig van het RIVM. “Wij proberen in onze adviezen altijd alle aspecten te benoemen”, aldus senior adviseur Chemicals Policy Martijn Beekman.
Het RIVM adviseert de overheid, onder andere de ministeries van IenW, VWS en SZW, over (de risico’s van) chemische stoffen op basis van wetenschappelijke kennis en onderzoek. “Je kan dat doen in een ingewikkelde nota of een rapport”, zegt Martijn Beekman, senior adviseur Chemicals Policy, “maar ik vind het ook onze taak om het publiek te informeren. Daarom werken we heel nadrukkelijk mee aan de website waarzitwatin.nl, gericht op consumenten. Ook hebben we de website Risico’s van stoffen (rvs.rivm.nl), die wat technischer is, meer bedoeld voor uitvoerders bij gemeenten en vergunningverleners.”
Beekman noemt als voorbeeld van een advies aan de overheid het rubbergranulaat op kunstgrasvelden, afkomstig van autobanden. “Er was enige jaren geleden veel onrust over de daarin aanwezige PAK’s, polycyclische aromatische koolwaterstoffen. Wij hebben toen alle informatie verzameld over wat er op de markt beschikbaar is, wat de blootstelling is en zo goed mogelijk de risico’s ingeschat, volledig gebaseerd op de beschikbare toxicologische informatie. Op basis daarvan hebben we een restrictiedossier opgesteld in het kader van REACH. We hebben daarin voorgesteld om alleen rubbergranulaat toe te passen met de concentratie aan PAK’s onder een bepaalde norm. Die norm geldt dan als de restrictie. We hebben voor de hoogte van de norm twee opties voorgelegd aan de ministeries. Het is dan aan de ministeries om een beleidskeuze te maken.”
Blusschuim
Dat het publiek anders tegen chemische stoffen aankijkt dan de experts, is volgens Beekman niks nieuws. “Ik zag dat dertig jaar geleden ook, toen ik begon in dit werkveld. Het ging toen over weekmakers in bijtringen voor baby’s en Scoubidou-touwtjes.” Het verschil is volgens hem wel dat het vertrouwen in de overheid, in instanties, bij het grote publiek sindsdien alleen maar lijkt afgenomen. “Dat maakt het er niet makkelijker op. Maar het enige wat ik kan doen is om vanuit het RIVM zo helder en zo goed en onderbouwd mogelijk advies te geven, zowel aan beleidsmakers als aan consumenten.”
Toch vindt het grote publiek de overheidsvoorlichting niet voldoende, zo blijkt uit recent VNCI-onderzoek. “Ik zie dat het RIVM, maar ook overheden en bedrijven, heel erg hun best doen. Ik ben geen communicatiedeskundige; ik zou niet goed weten wat we nog meer moeten doen, maar we moeten ons hiervoor blijven inzetten en waar mogelijk verbeteren.”
Dat er op bepaalde dossiers, zoals pfas, vaak een groot verschil is tussen de informatievoorziening van milieuorganisaties, bedrijven en de overheid, helpt ook niet. Beekman: “Wij proberen in onze adviezen altijd alle aspecten te benoemen en een volledig beeld te geven. Dat je bijvoorbeeld in het geval van brandblusschuim met pfas ook nadenkt over hoe je gaat brandblussen zonder pfas en hoeveel tijd bedrijven nodig hebben om over te schakelen. Wij moeten in ieder geval proberen telkens, bij elk dossier, een zo breed mogelijk, op wetenschappelijke inzichten gebaseerd beeld te geven.”
Denkproces
VNCI, het RIVM, TNO en het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat hebben onlangs gezamenlijk de ‘Safe and Sustainable by Design Hub’ opgezet, een centrale plek waar kennis, ontwerpprincipes en praktijkervaring samenkomen om de ontwikkeling van veilige en duurzame chemische innovaties te versnellen. Beekman: “Je kan dingen achteraf via wet- en regelgeving regelen, daar hebben we onder andere REACH en CLP voor, maar je kan ook veel eerder, in de ontwerpfase, nadenken over welke stoffen je gebruikt en of die kwaad kunnen. Nu komt dat vaak achteraf. Hier is een rol weggelegd voor het RIVM, om bedrijven te faciliteren, bijvoorbeeld door middel van cursussen. Kijk, de grote bedrijven, die weten het allemaal wel. Maar veel kleine bedrijven hebben die kennis niet. Ze kunnen die inkopen bij adviesbureaus, maar onze websites bieden ook veel informatie. Je hoeft geen gepromoveerd chemicus te zijn om dat te kunnen lezen. Er zijn ook websites over alternatieven voor stoffen. Wij kunnen uiteraard niet voor een bedrijf bepalen of een stof geschikt is voor hun proces, maar we kunnen ze wel helpen in dat denkproces. Het is zo jammer om alle investeringen te doen en dan achteraf te ontdekken dat het niet mag. Probeer dat voor te zijn, zou ik zeggen.”
Pfas-restrictie
Beekman was nauw betrokken bij de voorgestelde pfas-restrictie. Het dossier wordt nu beoordeeld door ECHA’s Committee for Risk Assessment’s (RAC) en Committee for Socio-Economic Analysis (SEAC). Momenteel loopt er een tweede consultatie. Als die is afgerond, naar verwachting eind dit jaar, gaat het dossier met de opinies naar de Europese Commissie, die vervolgens een voorstel zal doen aan de lidstaten.
Veel meer dan over het proces kan Beekman niet zeggen. “Het is natuurlijk een heel ingewikkelde restrictie, die gaat over heel veel stoffen en nog veel meer toepassingen, en ook over verontreinigingen met pfas. Over het algemeen wordt pfas toegevoegd om een bepaalde functionaliteit te geven aan een product. Als je dat verbiedt, hoe kan je dat dan vervangen? En als je iets vervangt, verandert er altijd iets, dan is het niet meer hetzelfde molecuul. Het is ook zo ontzettend divers. Pfas zijn gassen, polymeren, alkylzuren. Dat maakt deze restrictie zo ontzettend complex. Kijk, we kunnen best skiwax zonder pfas gebruiken. Wat maakt het nou uit of je een aantal milliseconden eerder van die berg af komt? Maar pfas kent ook heel veel hightech toepassingen, in vliegtuigen, auto’s, batterijen, noem maar op. Het is heel makkelijk om te zeggen: we willen geen pfas, dus verbied alles maar. Ik snap dat, gezien de zorgen, maar zo eenvoudig is het helaas niet.”
‘Het komt altijd neer op transparantie’
Jerker Ligthart, die een Zweedse moeder en een Nederlandse vader heeft, studeerde in Delft chemische technologie en werkte enige tijd bij een raffinaderij in Göteborg. Daarna volgde hij zijn ‘groene hart’ en ging hij bij de Zweedse ngo ChemSec werken, waar hij nu senior chemical expert is. Momenteel houdt hij zich onder andere bezig met het ChemScore-project. Jaarlijks wordt de ChemScore-ranking gepubliceerd van de veertig grootste chemische producenten ter wereld, op basis van hun inspanningen om hun schadelijke chemische voetafdruk te verkleinen en de vervanging van toxische chemicaliën door veiligere alternatieven.
Dat er een bepaalde mate van maatschappelijke onrust is over chemische stoffen vindt hij logisch. “Mensen zien de vervuiling. Ze zien die drijven in rivieren, ze zien bomen doodgaan en mensen ziek worden. En aan de andere kant leest men ook de berichten in de media over zaken als pfas.”
Uit onderzoek van de VNCI is gebleken dat er wel een verschil is in perceptie tussen experts en het algemene publiek. “Dat komt door de kenniskloof”, zegt Ligthart. “Ik als chemicus begrijp de chemische taal, terwijl de gemiddelde persoon in de straat die taal niet snapt. Ik weet dat er chemicaliën zitten in bijvoorbeeld een computer en een plastic stoel, terwijl het publiek niet veel verder komt dan schoonmaakmiddelen, zoals uit jullie onderzoek blijkt. Je perceptie heeft te maken met je kennis. En omdat de producenten van de computer en de stoel niet transparant zijn, weten mensen niet dat die chemische stoffen bevatten. Ook het verschil in perceptie van het gevaar heeft met die kenniskloof te maken.”
Vertrouwen
De toegenomen media-aandacht voor chemie-gerelateerde onderwerpen is een welkome ontwikkeling die een wezenlijk verschil heeft gemaakt in de voorlichting van het grote publiek, vindt Ligthart. “Een terugkerend probleem is wel dat, met uitzondering van een paar toegewijde journalisten, artikelen over chemie vaak worden geschreven door journalisten die niet over diepgaande chemische expertise beschikken, waardoor ze het onderwerp niet echt grondig kunnen onderzoeken.”

Informatievoorziening over chemische stoffen is een taak van de overheid, vinden zowel experts als het algemene publiek, blijkt uit VNCI-onderzoek. “Dat gebeurt helaas nog te weinig”, zegt Ligthart. “Het hangt er ook vanaf wat je als informatievoorziening ziet. De ECHA-database is voor iemand met kennis een geweldig iets, maar een leek kan er niet veel mee. Ik denk dat iemand die pakweg in Rotterdam of Utrecht woont vooral wil weten welke bedrijven in zijn omgeving welke stoffen uitstoten en welke gevaren aan die stoffen zijn verbonden. Maar momenteel is het systeem niet ingericht op die transparantie.” Ook Ligthart ziet het als de verantwoordelijkheid van de overheid om te informeren over chemische stoffen. “Maar de overheid kan dat alleen doen als bedrijven bereid zijn hun informatie te delen. Dat gebeurt niet, of onvoldoende. Het komt altijd neer op transparantie. Alleen zo kan je vertrouwen opbouwen.”
Alternatieven
Intussen groeit de maatschappelijk onrust over pfas. Ligthart ziet met lede ogen aan hoe de naderende pfas-restrictie van de EU steeds verder wordt afgezwakt. “Er zijn veel mkb-bedrijven die alternatieven voor pfas-toepassingen hebben ontwikkeld. Ze zagen een kans, haalden kapitaal binnen en ontwikkelden producten die pfas in veel processen en producten kunnen vervangen. Maar als je brede pfas-vrijstellingen gaat invoeren, draai je al die bedrijven, al die innovaties de nek om. In plaats van innovatie te belonen, maak je die dood.”
Ligthart erkent dat er op specifieke gebieden nog geen alternatief is voor pfas, “maar in een grote meerderheid van de gevallen is dat er wel”. Hij noemt alternatieve brandblusmiddelen, alternatieven voor waterafstotende coatings, Gore-Tex-membranen en ook batterijen. “In de debatten hoor je alleen de grote chemiereuzen, de kleine bedrijven die de alternatieven hebben ontwikkeld worden zelden gehoord. ChemSec wil juist die goede voorbeelden benadrukken. Daarom besteed ik momenteel de meeste tijd aan het naar voren brengen van die oplossingen, bij de toezichthouders, de autoriteiten en met name de investeerders.”
Complex
SSbD, safe and sustainable by design, ziet Ligthart in de basis als een mooi principe. “Maar er is geen strikte definitie van veilig en van duurzaam, dus het hangt er maar vanaf wat je in het concept verwerkt. Ook hier zie je trouwens de verwatering. Er worden te veel voorbehouden in gestopt.”
SSbD is volgens hem min of meer de officiële versie geworden van de Portfolio Sustainability Assessment (PSA) van The World Business Council for Sustainable Development, een netwerk van meer dan 250 bedrijven die duurzaamheid zien als een belangrijke drijfveer voor concurrentievermogen. “PSA is een mooi instrument voor productsturing binnen een bedrijf, maar het werkt niet echt op een veilig en duurzaam niveau. SSbD zoals die er nu is, is eigenlijk alleen afgestemd op de behoeften van grote bedrijven. Zij hebben de financiële middelen om een volledige SSbD-beoordeling uit te voeren met alle details en complexiteiten die daarbij komen kijken.”
Lees de special Chemische Stoffen uit Chemie Magazine 1.
