De opinie van de VNCI over milieu
Ga direct naar één van de volgende onderwerpen:
Terug naar de lijst met onderwerpen
Veiligheid, gezondheid en milieu zijn topprioriteiten voor chemische
bedrijven. Adequate kennisuitwisseling ondersteunt de continue
verbetering van veiligheid binnen chemische bedrijven. De VNCI neemt
haar verantwoordelijkheid met het opzetten van op maat gesneden
netwerken en permanente overheidscontacten. Ook komt de VNCI op voor
consistente, werkbare en proportionele regelgeving op het gebied van
veiligheid, gezondheid en milieu, waarbij administratieve lasten beperkt
worden.
Terug naar de lijst met onderwerpen
In 1993 sloten de VNCI en de overheid een convenant over de uitvoering van milieubeleid tot 2010. De VNCI kijkt 17 jaar later tevreden terug op de goede overlegstructuur met de overheid. Het convenant omvat een integrale milieutaakstelling (IMT) met milieudoelstellingen voor ca. 75 stoffen binnen de hele bedrijfstak. Voor iedere stof is een emissiereductie vastgesteld. 85% van de richtinggevende doelstellingen werd gehaald.
De chemische industrie zoekt voortdurend naar nieuwe mogelijkheden voor de vermindering van milieubelasting. Dat past bij de verantwoordelijkheden voor Responsible Care. Bedrijven nemen dit op in hun milieuplannen, die zij opstellen in het kader van onder andere het bedrijfsmilieuplan (BMP) of ISO 14001-certificaten.
Terug naar de lijst met onderwerpen
Lidstaten moeten volgens de Europese IPPC-richtlijn (Integrated Pollution Prevention & Control) milieuvergunningen hanteren die op de best beschikbare technieken (BBT) zijn gebaseerd. De VNCI is voor toepassing van deze technieken. Voor een gelijk speelveld binnen Europa moeten andere lidstaten dezelfde afwegingen maken. Bij de herziening van de IPPC-richtlijn heeft de VNCI zich daarvoor samen met CEFIC en VNO-NCW ingezet. De nieuwe richtlijn industriële emissies voorziet daar in.
Terug naar de lijst met onderwerpen
De Europese Commissie stelt eisen aan de luchtkwaliteit. Dat wordt
uitgedrukt in concentratie-eisen voor vervuilende stoffen, waaronder
stikstofoxiden (NOx), zwaveldioxide (SO2) en fijn stof (PM10 en PM 2,5).
Daarnaast heeft elke lidstaat voor vier stoffen (NOx, SO2, NMVOS en
NH3) een emissieplafond (een NEC). Een emisieplafond is de maximale
hoeveelheid van een bepaalde stof die een lidstaat in 2010 mag
uitstoten. Hoewel de lucht in Nederland goed is, voldoet het nog niet
overal aan de Europese normen voor fijnstof en stikstofdioxide.
VROM
heeft voor verschillende sectoren ook sectordoelstellingen gesteld.
Voor de reductie van NOx-emissies in de industrie bestaat sinds 2005 de
NOx-emissiehandel. Een bedrijf krijgt NOx-emissierechten per eenheid
verbruikte energie of vervaardigd product. Is de werkelijke emissie
minder of meer dan de prestatienorm, dan kan een bedrijf respectievelijk
emissierechten verkopen of kopen. Voor SO2 gelden emissienormen die in
de vergunningen zijn vastgesteld. Voor fijnstof heeft VROM beleid
geformuleerd om voor de emissie van stof een norm van 5 mg te
hanteren.
De VNCI vindt een economisch middel zoals de
NOx-emissiehandel een goed systeem. Tegelijkertijd is er sprake van
dubbele regulering. Bedrijven moeten voldoen aan de NOx-emissiehandel én
aan best beschikbare technieken uit de IPPC-richtlijn. Zij lopen
hierdoor de voordelen van de emissiehandel mis, waaronder
kosteneffectiviteit en fasering van de investeringen. De VNCI pleit daarom voor:
- Erkenning van het
emissiehandelssysteem in de IPPC-richtlijn
- Realistisch
NOx-emissieplafond (NEC2020)
- Afname relatief hoge administratieve
lasten
- Meer efficiency door groter handelsgebied
- Afgestemde prestatienormen (PSR's)
De overheid kijkt op dit moment samen met
het bedrijfsleven, waaronder de VNCI, of het zinvol is de
NOx-emissiehandel na 2013 te behouden.
Terug naar de lijst met onderwerpen
De chemische industrie gebruikt water in het productieproces en om te koelen. Kwaliteit en beschikbaarheid van water zijn dus belangrijk. De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW, 2000) voorziet in duurzaam gebruik en verbetering van kwaliteit en kwantiteit in 2015. Ook stelt zij dat in geen geval verslechtering van de waterkwaliteit mag plaatsvinden, het zogenoemde 'geen achteruitgang'-beginsel. De VNCI vindt dat de implementatie nadrukkelijk in Europese context moet gebeuren.
De VNCI participeert in samenwerking met VNO-NCW en via het collectieve VEMW-lidmaatschap in diverse ambtelijke en politieke overlegstructuren voor het Nederlandse waterbeleid. Dat geldt ook voor ondernemingsklimaat, wetgeving (integrale waterwet), vergunningen en toezicht. In Brussel vertegenwoordigt de VNCI het belang van de Nederlandse chemische industrie via de overleggroep water van Cefic.
Terug naar de lijst met onderwerpen
| Foto |
Naam |
Functie |
Contact |
|
ir. Leantine Mulder-Boeve |
Beleidsmedewerker Milieu |
Tel: 070-337 87 42
mulderboeve@vnci.nl |
|