|
|
De opinie van de VNCI over energie & klimaat
Ga direct naar één van de volgende onderwerpen:
Terug naar de lijst met onderwerpen
Bij de opwekking van energie door verbranding van fossiele brandstoffen, zoals olie, gas en steenkool, en dus ook bij het maken van de producten die iedereen dagelijks gebruikt komt CO2 vrij. CO2 is één van de veroorzakers van het broeikaseffect. Daarom wil de Europese Commissie de CO2 uitstoot terugdringen
In dat kader onderzoekt de chemische industrie onder meer de mogelijkheden om hernieuwbare grondstoffen te gaan gebruiken. Maar voor we daar de vruchten van kunnen plukken zijn we wel een aantal jaren verder.
Als één van de maatregelen om de CO2 uitstoot terug te dringen heeft de Europese Commissie met ingang van 2005 het emissiehandelssysteem in het leven geroepen, bedoeld om bedrijven te stimuleren minder CO2 uit te stoten bij energieopwekking en bij hun productie.
De chemische industrie heeft de afgelopen tientallen jaren de uitstoot van CO2 en andere broeikasgassen, zoals lach- en HFK23-gas, fors verlaagd. Dat blijkt onder meer uit cijfers van het CBS. En dat terwijl de productie in deze periode met bijna 50% is toegenomen. De energie-efficiëntie is in deze periode eveneens aanzienlijk toegenomen, onder meer door een aanzienlijke toename van de inzet van warmtekrachtkoppeling.
De chemische bedrijven in ons land leveren niet alleen door middel van hun innovatieve producten (zoals o.a. lithium-ion batterijen, autobanden met lagere rolweerstand, lichtere materialen, isolatiematerialen, etc.) een belangrijke bijdrage aan de vermindering van het energieverbruik door de maatschappij. Ook spannen zij zich voortdurend in om de CO2 uitstoot die met de productie gepaard gaat, zoveel mogelijk te reduceren. Daarvoor zijn veelal forse investeringen nodig, die een aanzienlijk beslag op het kapitaal van de onderneming leggen.
Emissiehandel met veilen alleen
Die investeringsmogelijkheden dreigen door het nu door de Europese Commissie voor de periode 2013-2020 voorgestelde emissiehandelssysteem (EU-ETS) in gevaar te komen. Dit systeem gaat ervan uit dat binnen een EU-CO2-plafond alle rechten worden geveild. Voor ondernemingen betekent dit dat jaarlijks voor de totale CO2 uitstoot rechten op de veiling moeten worden gekocht. Alleen voor specifieke sectoren, die blootstaan aan wereldwijde concurrentie, kan een uitzondering worden gemaakt.
Dit systeem staat in schril contrast met de eerdere handelsperiodes 2005-2007 en 2008-2012, waarin rechten kosteloos – in Nederland op basis van prestatienormen (energie-efficiëntie benchmarks) – zijn toegewezen.
De chemische industrie is een sector die met name blootstaat aan mondiale concurrentie. Als de concurrentiepositie wordt belast met de kosten van het veilen van rechten heeft dit ernstige nadelige gevolgen voor de sector.
Elektriciteitsbedrijven verkeren in de positie om de hogere kosten door te berekenen aan hun afnemers. Daardoor zal EU-ETS hoe dan ook voor een hogere elektriciteitsrekening van bedrijven en burgers zorgen. Met name chloorproducenten zullen hierdoor ernstig in hun concurrentiepositie worden geschaad, ten opzichte van producenten buiten de EU.
De gevolgen zullen zijn dat chemische bedrijven toekomstige investeringen buiten Europa zullen doen, tenzij er een mondiaal akkoord komt waadoor producenten over de gehele wereld met dezelfde kosten worden geconfronteerd.
De extra kostenpost als gevolg van veiling moet niet worden onderschat; het gaat in Europa voor de industrie om een post van vele miljarden euro’s, jaarlijks.
Emissiehandel met een combinatie van veilen en benchmarking
De VNCI wil dat de Europese Commissie de chemische industrie als een sector aanmerkt die volledig blootstaat aan wereldwijde concurrentie. De VNCI brengt in november van dit jaar de resultaten naar buiten van een onderzoek, om de argumenten aan te dragen waarom in de chemie wel degelijk het risico bestaat dat CO2 emissie naar buiten Europa verplaatst wordt.
Voor het verdelen van CO2-emissierechten wordt in tegenstelling tot veilen een systeem voorgesteld op basis van een CO2-prestatienorm, of benchmark. Voor elke (sub)sector wordt door de Europese Commissie een Europese CO2 benchmark vastgesteld. Bij de chemie gaat het om een 8-tal grote processen, waarmee de chemische bouwstenen worden geproduceerd, waarop zo’n 30.000 verschillende chemische producten zijn gebaseerd. Het produceren van deze bouwstenen kost verreweg de meeste energie en levert de grootste CO2-emissie in de sector op.
Ook bedrijven uit de maakindustrie die energie in de vorm van elektriciteit gebruiken moeten onder ETS vallen. Kleinere bedrijven daarentegen, die een beperkte CO2 uitstoot hebben, moeten erbuiten blijven omdat voor hen de administratieve lasten niet opwegen tegen de CO2 besparingen.
Het voorgestelde systeem werkt als volgt:
De Europese Commissie stelt jaarlijks vast hoeveel emissierechten alle bedrijven krijgen die onder het CO2 handelssysteem vallen. Deze ondernemingen kunnen samen dus niet méér CO2 uitstoten.
Om de uitstoot in 2020 op het gewenste niveau te krijgen, vermindert de Europese Commissie jaarlijks de hoeveelheid rechten. De bedrijven die onder het systeem vallen zullen daardoor samen in 2020 21 procent minder CO2 moeten uitstoten dan in 2005.
Elke lidstaat krijgt een deel van die rechten toegewezen, precies zoals dat in het plan van de Europese Commissie staat.
Voor de verdeling van rechten over bedrijven wordt onderscheid gemaakt tussen twee groepen bedrijven: de maakindustrie en de elektriciteitssector. Bedrijven uit de maakindustrie vervaardigen producten die ook gemakkelijk kunnen worden geïmporteerd. Hun producten moeten concurreren met producten die niet belast zijn met CO2-kosten. De elektriciteitssector daarentegen ondervindt niet of nauwelijks concurrentie van buiten Europa geproduceerde elektriciteit. Het is daarom begrijpelijk dat die twee groepen verschillend worden behandeld.
Voor bedrijven uit de maakindustrie geldt het volgende:
bedrijven die in Europa dezelfde producten maken, inventariseren hoeveel CO2 zij uitstoten per ton product. Overheden kunnen deze inventarisatie controleren. Vervolgens
ontstaat een lijst waarop de bedrijven in volgorde van CO2-efficiëntie zijn gerangschikt (de benchmarkcurve).
Daarna stelt de Europese Commissie een prestatienorm vast: de benchmark. Hierbij ontvangt een bedrijf van zijn lidstaat een hoeveelheid CO2-emissierechten per ton product. Dat is in heel Europa gelijk. Voor de toegekende rechten hoeft het bedrijf niet te betalen, maar de norm is wel zo ambitieus dat alleen de schoonste producenten de benchmark halen en geen emissierechten hoeven bij te kopen. Voor verschillende (sub)sectoren ligt de norm in relatieve zin even hoog.
De rechten die na toewijzing aan bedrijven uit de maaksector overblijven in de “pot”, worden door de lidstaat geveild.
Elektriciteitsbedrijven kopen hun rechten op die veilingen, maar ook ‘achterblijvers’ in de maakindustrie die rechten tekort komen om hun CO2-emissies te kunnen afdekken.
Met het vaststellen van de precieze hoogte van de benchmark heeft de Europese Commissie een extra instrument in handen om het emissiehandelssysteem te beheersen:
- de jaarlijkse verlaging van de benchmark kan worden gebruikt als indicatie van het tempo waarin bedrijven verwacht worden te innoveren en te investeren om hun CO2-uitstoot te reduceren
- de benchmark kan worden bijgesteld afhankelijk van de verwachte economische groei van de ETS bedrijven. Zo heeft men het totaal aantal gratis toe te kennen rechten in de hand, en wordt ervoor gezorgd dat er voldoende rechten in de veilingen zijn voor de elektriciteitssector.
- de hoogte van de benchmark is ook een instrument om de hoogte van de “lat” ten opzichte van het buitenland vast te stellen, en daarmee te bevorderen dat binnen de Unie de meest schone producten worden gemaakt: immers de allerschoonste producenten krijgen een concurrentievoordeel ten opzichte van de andere bedrijven, en kunnen groeien. De achterblijvers ondervinden een concurrentienadeel en hun producten worden van de markt verdrongen door importen.
Veilen of veilen met benchmarking: het onderscheid
Het is een misverstand te denken dat beide systemen verschillen in hun stimulans om CO2-uitstoot te reduceren. Of ze hun rechten nu op basis van prestatie of door veiling krijgen; bedrijven zijn altijd voordeliger uit als ze hun CO2-uitstoot terugbrengen. De bedrijven uit de maakindustrie betalen alleen in absolute zin veel minder aan CO2-kosten. Bovendien zijn er geen ingewikkelde compensatieregelingen nodig om bedrijven te beschermen tegen oneerlijke concurrentie. Bedrijven houden geld over om maatregelen te nemen om de CO2-uitstoot terug te dringen. Door middel van het werken met plafonds en prestatienormen die de hele markt omvatten, zullen bedrijven de oudste faciliteiten sluiten, en wordt ruimte geboden aan andere producenten om het gat met efficiëntere installaties te vullen. En als de productie maar efficiënt genoeg is, is er ook ruimte voor volumegroei.
Waarom verdere groei van de chemische industrie niet per sé slecht is voor CO2-reductie
De chemische industrie levert producten, waarmee elders CO2-reductie bereikt kan worden. Denk bijvoorbeeld aan de polystyreen die gebruikt wordt om daken en vloeren van huizen en gebouwen te isoleren en aan kunststoffen die auto’s lichter maken. Zo heeft BASF onlangs nog voor een productenpakket van 90 verschillende producten becijferd dat tegenover de elke ton CO2-emissie om deze producten te maken er bij het gebruik driemaal zoveel CO2 uitstoot wordt vermeden. Daarom is het bij de plafonds essentieel om te kijken naar de totale emissies in de keten per land of werelddeel.
Terug naar de lijst met onderwerpen
Een permanente productiegroei van de chemische industrie heeft de afgelopen twintig jaar niet geleid tot toename van de CO2-uitstoot. De bedrijfstak verbeterde in die periode namelijk op spectaculaire wijze haar energie-efficiency. Dat gebeurde – en gebeurt - mede in het kader van meerjarenafspraken met de overheid, in zogenoemde MJA’s en door middel van benchmarkconvenanten.
MJA’s zijn overeenkomsten tussen verschillende departementen, het interprovinciaal overleg, VNG, brancheorganisaties (waaronder de VNCI) en bedrijven. Doel van de overeenkomsten is verbetering van de energie-efficiency.
Tijdens de eerste MJA, in de jaren 90, hebben de deelnemers op dat vlak een verbetering van maar liefst 25 procent geboekt. In volgende MJA’s is niet alleen gekeken naar de energie-efficiency van de deelnemende bedrijven, maar ook naar die van leveranciers en afnemers.
Naast MJA’s bestaan zogenoemde benchmarkconvenanten. Dat zijn afspraken tussen de ministeries van EZ en VROM, de industriële grootverbruikers van energie en de elektriciteitsbedrijven. In het convenant spreken zij de ambitie uit om in 2012 met hun energie-efficiency tot de wereldtop te behoren (conform de Kyoto doelstellingen).
De VNCI vindt de MJA’s goed werkende instrumenten, die uitstekende resultaten te zien hebben gegeven. Het toevoegen van keteneffecten in de jongste MJA’s ligt geheel in lijn met de wensen van de VNCI. Zij wil de energiebesparings- en klimaatbeschermingseffecten die de chemie met haar producten in de keten realiseert (voor een deel) kunnen meenemen in de resultaten van de productielocaties (de inrichting).
Het benchmarkconvenant heeft vooral in het verleden goede resultaten opgeleverd. Door de komst van de CO2-emissiehandel is voor sommige bedrijven die deelnamen aan het benchmarkconvenant de druk van de ketel om efficiënter te worden. Sommigen zijn afgehaakt, wat niet wil zeggen dat ze niet meer investeren in energie-efficiency. Ze willen slechts de administratieve last van de monitoring niet dragen.
De VNCI zet zich in voor verdere uitbreiding van verbeteringen bij haar leden. Zo stimuleert ze bedrijven nieuwe technologieën toe te passen en organiseert ze samen met SenterNovem, een agentschap van het ministerie van Economische Zaken, speciale bijeenkomsten waarin de resultaten, mogelijke ondersteuning en best practises worden behandeld. Ook ontvangen de leden meerdere malen per jaar een speciale nieuwsbrief waarin diverse subsidie mogelijkheden vanuit SenterNovem aan bod komen. Verder houdt de VNCI de leden aan de monitoringsverplichtingen die ze als deelnemers hebben.
Terug naar de lijst met onderwerpen
Verduurzaming van energiehuishouding is noodzakelijk willen we in de toekomst nog kunnen beschikken over voldoende, schone en betaalbare energie. Met toenemende kosten voor energie voor het bedrijfsleven zijn energiebesparingen en/of CO2-reducties binnen het domein van de bedrijven relevant vanuit kostenoptiek en voor de ‘License to Operate’ (de maatschappelijke aanvaarding).
De regering heeft een proces in gang gezet om in 2020 een van de duurzaamste landen van Europa te zijn. Om dit proces te versnellen en aan te jagen is Energie Transitie opgezet. Bedrijfsleven, overheid, kennisinstellingen en maatschappelijke organisaties werken in dit project samen aan Creatieve energie. Begin mei 2006 lanceerde de Taskforce Energietransitie het plan ‘Meer met Energie’. Het plan bevat zes kernthema’s waarop energietransitie zich richt om tot duurzame energievoorziening te komen: groene grondstoffen, duurzame mobiliteit, ketenefficiency, nieuw gas/schoon fossiel, duurzame elektriciteit, gebouwde omgeving. De VNCI is nauw betrokken bij de thema’s groene grondstoffen (bio-based economy) en ketenefficiency. Om de bedrijven te stimuleren te investeren in duurzame energie bestaan er diverse subsidie-mogelijkheden.
Veel van de opgewekte energie gaat veel verloren in koelwater en transport. Een fraai alternatief, veel toegepast binnen de chemische industrie, is besparing via warmte-krachtkoppeling (wkk). Bij wkk worden elektriciteit en warmte tegelijkertijd bij de verbruiker opgewekt. Daarmee worden verliezen voor transport van warmte en elektriciteit vrijwel geëlimineerd. Het brandstofverbruik is een stuk lager en het rendement bedraagt 85 procent.
De VNCI is van mening dat energie-innovatie noodzakelijk is om de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen te verlagen, om de leveringszekerheid van energie te verbeteren en om oplossingen aan te dragen die ertoe kunnen bijdragen dat klimaatverandering wordt tegen gegaan. Als onderdeel van de samenleving is de chemische industrie afhankelijk, en wil ze bijdragen aan een beleid dat erop is gericht verantwoord en duurzaam gebruik en voorziening van energie veilig te stellen. Via innovatie en energietransitie kan de chemische industrie op diverse manieren bijdragen; door het ontwikkelen van nieuwe brandstoffen, het ontwikkelen van energiezuinigere productieprocessen maar ook het ontwikkelen van nieuwe producten, zoals lichte kunststoffen, die indirect bijdragen aan energiebesparing bij gebruikers.
De VNCI is betrokken bij Energietransities en zal initiatieven nemen om (samen met anderen) projecten bij lidbedrijven te realiseren. De organisatie is voornamelijk betrokken bij ontwikkeling van plan van aanpak voor de chemie voor de hoofdroutes Groene grondstoffen en Ketenefficiency. Ze wil lidbedrijven stimuleren om innovatieve transitieprojecten te initiëren.
Terug naar de lijst met onderwerpen
De chemische industrie neemt jaarlijks zo’n 28 procent van de in Nederlandse verbruikte energie voor haar rekening: 40 procent als energiebron en 60 procent als grondstof. Het is dus noodzakelijk dat de bedrijfstak kan beschikken over concurrerend geprijsde energie en kan rekenen op een grote leveringsbetrouwbaarheid. De industrie heeft echter te maken met een doorgaans hoge olie- en gasprijs en hoge elektriciteitstarieven. Bovendien zijn de bedrijven voor levering van olie en gas afhankelijk van conflictrijke gebieden in de wereld.
Om die reden heeft een groep van negen energie-intensieve bedrijven het initiatief genomen voor oprichting van een consortium. Zij benadrukken dat de aanhoudend hoge grondstof- en energiekosten, in combinatie met stijgende staal en constructieprijzen, een bedreiging vormen voor toekomstige investeringen. Het consortium maakt zich sterk voor bouw van kolencentrales in Nederland, zodat de eenzijdige afhankelijkheid van olie en aardgas afneemt.
Daarnaast startte de VNCI in 2006 met een proef voor een collectief lidmaatschap van de VNCI-leden bij VEMW, de vereniging die in Nederland de belangen behartigt van zakelijke energieverbruikers. Korte tijd daarna is besloten het proeflidmaatschap om te zetten in een vast lidmaatschap. Met het aangaan van het branchelidmaatschap van VEMW is een groot deel van de belangenbehartiging op dit vlak bij VEMW komen te liggen. De VNCI is sterk vertegenwoordigd in bestuur en diverse beleidsgroepen van VEMW. De effectievere samenwerking leidt tot het beter behartigen van de belangen van de leden op deze terreinen. Dit moet uiteindelijke zorgen voor betere tarieven en voorwaarden voor energie en energiediensten.
Terug naar de lijst met onderwerpen
De Europese Unie heeft in 2007 besloten dat de geïndustrialiseerde landen in 2020 twintig procent minder CO2 moeten uitstoten dan in 1990. Dat is nodig om de temperatuurstijging op de aarde te beperken tot twee graden en daarmee de effecten van klimaatverandering beheersbaar te houden.
De VNCI onderschrijft deze beleidsvoornemens. In 2007 publiceerde de zogenoemde ‘Regiegroep Chemie’ (topmanagers van kennisinstellingen en bedrijfsleven) een rapport, waarin onder meer de ambitie werd neergelegd om het gebruik van fossiele bronnen in 25 jaar te halveren. De chemische industrie kan haar bijdrage aan vermindering van het energieverbruik en de uitstoot van CO2 leveren via innovatie en de ontwikkeling van efficiëntere en schonere technologieën. In december 2008 heeft het Europees Parlement ingestemd met het besluit van de Europese regeringsleiders om te komen tot een herziening van de richtlijn emissierechtenhandel ETS. Als gevolg van het Europese besluit zal de energie-intensieve industrie die blootstaat aan internationale concurrentie vanaf 2013 kosteloos CO2-emissierechten ontvangen. Rechten worden toegekend op het niveau van de 10% van het gemiddelde van de meest efficiënte installaties. Goed functionerende en efficiënte bedrijven worden daardoor gevrijwaard van de aankoop van CO2-rechten, terwijl bedrijven die niet aan de norm voldoen aanvullende rechten moeten kopen. Investeringen in innovatie om de verscherpte uitstootnorm te halen kunnen zich daardoor terugverdienen.
De VNCI denkt dat dit systeem, met de juiste invulling op details, een goed uitgangspunt biedt om de bijdrage van de chemie aan het behalen van de klimaatdoelstellingen te begeleiden. In de komende periode zal in de discussie met overheden verder aandacht worden besteed aan de invulling van de regeling: een economisch relevante manier om de sector op te delen in subsectoren die voldoen aan de criteria voor kosteloze rechten, en een goede regeling voor de elektriciteitsintensieve industrie. Daarnaast moet worden nagegaan welke stimulansen de overheid kan geven voor research & development en investeringen voor CO2-reductie, bijvoorbeeld in warmte-krachtkoppeling en Carbon Capture and Storage.
Terug naar de lijst met onderwerpen
De VNCI vindt het belangrijk om op volle kracht verder te werken aan energie-efficiëntie, broeikasgasemissiereductie en biobased chemie. Dat er in Kopenhagen geen juridisch bindend akkoord is afgesloten, is voor de vereniging geen reden om op het energie- en klimaatdossier achterover te leunen. Integendeel. Belangrijke argumenten voor de VNCI om hieraan verder te werken zijn de noodzaak om in bredere zin de economie te verduurzamen, de urgentie van het klimaatprobleem, de voorzieningszekerheid, de wereldwijd groeiende energiebehoefte en, last but not least, de concurrentiepositie van de industrie. De discussie over fouten in het IPCC-rapport heeft het VNCI-standpunt niet gewijzigd.
De VNCI vindt de volgende randvoorwaarden essentieel:
- In Nederland dient het beleid voor de uitvoeringspraktijk
- qua doelstellingen geheel in lijn te zijn met de Europese doelstellingen (dus overall -20% CO2 emissie in 2020 ten opzichte van 1990); dit is o.i. in het kader van de brede heroverweging (de door de werkgroep Energie& Klimaat genoemde variant 1E) de enige realistische optie
- bij de implementatie van de ETS-richtlijn maximaal gebruik te maken van mogelijkheden om de lasten voor de industrie te minimaliseren en zo een level playing field te bevorderen
- te sturen op CO2 emissie en energie-efficiëntie in de gehele waardeketen (c-LCA); met daarnaast oog voor voorzieningszekerheid
- te zorgen dat een kosteneffectief broeikasgasemissiereductie- en (in dienst daarvan) verduurzamingspad wordt gevolgd: de meest kosteneffectieve maatregelen dienen eerst genomen te worden; in dat kader dient 1) energiebesparing maximaal te worden gestimuleerd en 2) WKK een passende inpassing in het E–systeem te krijgen, zodat het optimaal kan worden benut en waar mogelijk uitgebreid; hiertoe dient het pakket van beleidsinstrumenten van de overheid te worden herzien, waarbij perverse prikkels worden geëlimineerd.
- te voorzien in financiële arrangementen om investeringen mogelijk te maken (bijvoorbeeld revolving fund).
- exploitatiesubsidies te minimaliseren/respectievelijk alleen toe te passen in het geval van duidelijk marktfalen
- aan bedrijven die participeren in het ETS-systeem geen additionele nationale verplichtingen op te leggen.
- In Nederland dient het overheidsbeleid voor research en ontwikkeling
- te faciliteren dat de industrie de kansen die er liggen op het gebied van proces-, product- en grondstofinnovatie (inclusief recycling) gericht op energie-efficiënte en broeikasgasreductie maximaal kan benutten.
- samen met de industrie te investeren in eenmalige grote demonstratie projecten
- Het Europese ETS-systeem dient voor “exposed” sectoren als de chemie:
- te zorgen voor een toekennen van vrije emissierechten (op basis van benchmark en in evenredigheid met het productievolume) waarbij de “netto” CO2 kosten voor de sector als geheel zeer beperkt blijven, zodat zoveel mogelijk een internationaal level playing field wordt behouden, terwijl alle bedrijven worden gestimuleerd (en beloond) om steeds efficiënter te produceren;
- aan landen ruime opties te bieden om elektriciteitsintensieve bedrijven te compenseren voor de CO2 kosten in de elektriciteitsprijs.
- te zorgen voor een mechanisme voor effectieve prijsvorming: de CO2 prijs dient te liggen op het niveau dat nodig is om de gewenste CO2 reductie op de meest kosteneffectieve wijze te bereiken; gezien het feit dat wereldwijde CO2 prijsvorming vooralsnog niet in de rede ligt dient de instrumentatie (o.m. het veilingmechanisme in ETS) voor Europese prijsvorming te worden heroverwogen.
|