De VNCI pleit ervoor om de handel in emissierechten voor stikstof
(NOx-emissiehandel) stop te zetten. De vereniging sluit daarbij aan bij
werkgeversvereniging VNO-NCW, die eind januari met hetzelfde standpunt
naar buiten kwam. Volgens de VNCI kleven er aan het systeem meer na- dan
voordelen. Momenteel discussiëren onder meer VNO-NCW en de VNCI met het
ministerie van Infrastructuur en Milieu over het voortzetten van de
handel. Een uitspraak hierover wordt de komende maanden verwacht.
De
VNCI is onder meer tegen de handel vanwege de administratieve
lastendruk die het voor bedrijven met zich meebrengt, waaronder extra
metingen, verificaties, vergunningen en toezicht. Bovendien werkt het
dubbele regelgeving in de hand, aangezien bedrijven moeten voldoen aan
de NOx-emissiehandel én Europese wetgeving. Verder blijkt uit onderzoek
dat de kans bestaat dat NOx-emissierechten buitensporig duur worden.
De
NOx-emissiehandel is in 2005 in het leven geroepen om de
stikstofuitstoot in Nederland onder het door de Europese Commissie
verplichte emissieplafond te houden. In deze handel krijgen bedrijven,
afhankelijk van de hoeveelheid verbruikte energie of vervaardigd
product, rechten om NOx uit te stoten. Dit aantal rechten neemt in de
tijd af. Houd een bedrijf rechten over, dan kan hij deze verkopen; stoot
hij meer NOx uit, dan moet hij extra rechten kopen.
De hoop was
dat de handel een financiële prikkel zou geven om te investeren in
emissiebeperkingen, waarna de overbodige rechten verkocht konden worden.
In de praktijk is dit niet tot stand gekomen. Zo ontstond er wrijving
tussen de emissiehandel (die flexibele invoering van investeringen
mogelijk maakt) en de Europese wetgeving, die al eist dat bij bedrijven
de best beschikbare technieken worden toegepast. Bovendien bestond de
handel alleen in Nederland, waardoor deze klein en beperkt bleef.
VNO-NCW: 'Voortzetting NOx-emissiehandel niet langer zin' (VNO-NCW.nl, 24 januari 2012)