Sinds 20
januari 2009 is de zogenaamde CLP-verordening van kracht. Deze nieuwe
regelgeving heeft grote gevolgen voor de indeling, etikettering en
verpakking van chemische producten. Om bedrijven te helpen bij de in-
en uitvoering van de nieuwe regels, behandelt de VNCI iedere week een vraag over dit onderwerp.
Vraag: wanneer wordt een stof ingedeeld als 'bijtend voor de huid/irriterend voor de huid'?
Antwoord:
'Huidcorrosie of -irritatie' is een van de klassen voor
gezondheidsgevaren, beschreven in deel 2 van Bijlage I van de
CLP-verordening. Een stof wordt ingedeeld als 'bijtend voor de huid'
als er aanwijzingen zijn dat de huid onomkeerbaar wordt beschadigd. Dit
wil zeggen dat zichtbare necrose (ongecontroleerde celdood) optreedt
door de oppervlaktehuid heen in het daaronder liggende bindweefsel
nadat een teststof gedurende maximaal 4 uur aangebracht is geweest.
Bijtende reacties worden gekenmerkt door zweren, bloedingen,
bloedkorsten en, tegen het eind van de observatieperiode van 14 dagen,
verkleuring door bleking van de huid, gebieden met volledige haaruitval
en littekens.
Een stof is 'irriterend voor de huid' wanneer de
huid omkeerbaar wordt beschadigd nadat een teststof gedurende maximaal
4 uur aangebracht is geweest.
Bij de bepaling of een stof
bijtende en irriterende eigenschappen heeft, worden diverse factoren in
aanmerking genomen alvorens tests worden uitgevoerd. Vaste stoffen
(poeders) kunnen bijtend of irriterend worden wanneer zij vochtig
worden of in contact komen met vochtige huid of slijmvliezen. De
analyse wordt in eerste instantie gebaseerd op bestaande ervaringen en
gegevens over eenmalige of herhaalde blootstelling van mensen en
dieren, omdat deze informatie rechtstreeks van belang is voor de
effecten op de huid. Gevalideerde en aanvaarde in-vitroalternatieven
kunnen eveneens worden gebruikt als hulp bij het nemen van de
beslissing over de indeling. In sommige gevallen is uit qua structuur
verwante verbindingen wellicht voldoende informatie beschikbaar om een
beslissing over de indeling te nemen.
Ook kunnen extreme
pH-waarden, zoals kleiner dan 2 en groter dan 11,5, duiden op mogelijke
huideffecten, met name als bekend is dat er een buffercapaciteit
bestaat (al is de correlatie niet perfect). Over het algemeen kan
worden verwacht dat dergelijke stoffen significante effecten op de huid
hebben. Indien op basis van de zuur- of alkalireserve wordt vermoed dat
de stof ondanks de hoge of lage pH-waarde niet bijtend is, worden ter
bevestiging aanvullende tests uitgevoerd (bij voorkeur een passende
gevalideerde in-vitrotest).
Voor stoffen met een hoge dermale
toxiciteit kan geen studie naar huidirritatie of -corrosie worden
uitgevoerd, aangezien de aan te brengen hoeveelheid teststof de
toxische dosis verre overschrijdt en de dieren bijgevolg zouden
sterven. Wanneer bij acute toxiciteitsstudies wordt waargenomen dat
stoffen irriterend of bijtend voor de huid zijn bij doses tot de
limiet, hoeven geen aanvullende tests te worden uitgevoerd (mits de
gebruikte verdunningen en de geteste dieren gelijk zijn).
De
criteria voor indeling van een stof staan in detail vermeld in
paragrafen 3.2.2.6 en 3.2.2.7 van bijlage I van de CLP-verordening.
Bekijk alle CLP-vragen en -antwoorden op
www.vnci.nl/clp
Ook een vraag over CLP?
Neem dan per e-mail contact op met VNCI-stoffensecretaris Dirk van Well
Lees de opinie van de VNCI over CLP