Home
Chemie en...
AAA

VNCI online

Rss-feed Blijf bij @ RSS-feed
Twitter Volg VNCI @ Twitter
LinkedIn Word lid @ LinkedIn
Facebook Vind leuk @ Facebook

Chemie in 2030

Toekomst chemie
Bekijk het rapport

Artikelen uit de Chemie nieuwsbrief

<< Bekijk alle nieuwsbriefartikelen

De CLP-vraag van de week 35: wanneer is een stof bijtend of irriterend?

Uitgave: Nieuwsbrief 2009 week 47 > Categorie: VNCI Stoffenbeleid > Datum: 19 nov 2009

Sinds 20 januari 2009 is de zogenaamde CLP-verordening van kracht. Deze nieuwe regelgeving heeft grote gevolgen voor de indeling, etikettering en verpakking van chemische producten. Om bedrijven te helpen bij de in- en uitvoering van de nieuwe regels, behandelt de VNCI iedere week een vraag over dit onderwerp.

Vraag: wanneer wordt een stof ingedeeld als 'bijtend voor de huid/irriterend voor de huid'?

Antwoord: 'Huidcorrosie of -irritatie' is een van de klassen voor gezondheidsgevaren, beschreven in deel 2 van Bijlage I van de CLP-verordening. Een stof wordt ingedeeld als 'bijtend voor de huid' als er aanwijzingen zijn dat de huid onomkeerbaar wordt beschadigd. Dit wil zeggen dat zichtbare necrose (ongecontroleerde celdood) optreedt door de oppervlaktehuid heen in het daaronder liggende bindweefsel nadat een teststof gedurende maximaal 4 uur aangebracht is geweest. Bijtende reacties worden gekenmerkt door zweren, bloedingen, bloedkorsten en, tegen het eind van de observatieperiode van 14 dagen, verkleuring door bleking van de huid, gebieden met volledige haaruitval en littekens.

Een stof is 'irriterend voor de huid' wanneer de huid omkeerbaar wordt beschadigd nadat een teststof gedurende maximaal 4 uur aangebracht is geweest.

Bij de bepaling of een stof bijtende en irriterende eigenschappen heeft, worden diverse factoren in aanmerking genomen alvorens tests worden uitgevoerd. Vaste stoffen (poeders) kunnen bijtend of irriterend worden wanneer zij vochtig worden of in contact komen met vochtige huid of slijmvliezen. De analyse wordt in eerste instantie gebaseerd op bestaande ervaringen en gegevens over eenmalige of herhaalde blootstelling van mensen en dieren, omdat deze informatie rechtstreeks van belang is voor de effecten op de huid. Gevalideerde en aanvaarde in-vitroalternatieven kunnen eveneens worden gebruikt als hulp bij het nemen van de beslissing over de indeling. In sommige gevallen is uit qua structuur verwante verbindingen wellicht voldoende informatie beschikbaar om een beslissing over de indeling te nemen.

Ook kunnen extreme pH-waarden, zoals kleiner dan 2 en groter dan 11,5, duiden op mogelijke huideffecten, met name als bekend is dat er een buffercapaciteit bestaat (al is de correlatie niet perfect). Over het algemeen kan worden verwacht dat dergelijke stoffen significante effecten op de huid hebben. Indien op basis van de zuur- of alkalireserve wordt vermoed dat de stof ondanks de hoge of lage pH-waarde niet bijtend is, worden ter bevestiging aanvullende tests uitgevoerd (bij voorkeur een passende gevalideerde in-vitrotest).

Voor stoffen met een hoge dermale toxiciteit kan geen studie naar huidirritatie of -corrosie worden uitgevoerd, aangezien de aan te brengen hoeveelheid teststof de toxische dosis verre overschrijdt en de dieren bijgevolg zouden sterven. Wanneer bij acute toxiciteitsstudies wordt waargenomen dat stoffen irriterend of bijtend voor de huid zijn bij doses tot de limiet, hoeven geen aanvullende tests te worden uitgevoerd (mits de gebruikte verdunningen en de geteste dieren gelijk zijn).

De criteria voor indeling van een stof staan in detail vermeld in paragrafen 3.2.2.6 en 3.2.2.7 van bijlage I van de CLP-verordening.

Bekijk alle CLP-vragen en -antwoorden op www.vnci.nl/clp

Ook een vraag over CLP? Neem dan per e-mail contact op met VNCI-stoffensecretaris Dirk van Well

Lees de opinie van de VNCI over CLP

Blijf automatisch op de hoogte via de wekelijkse VNCI-nieuwsbrief


RSS-logo Abonneer uzelf via RSS op de nieuwsbrief