Sinds 20
januari 2009 is de zogenaamde CLP-verordening van kracht. Deze nieuwe
regelgeving heeft grote gevolgen voor de indeling, etikettering en
verpakking van chemische producten. Om bedrijven te helpen bij de in-
en uitvoering van de nieuwe regels, behandelt de VNCI iedere week een vraag over dit onderwerp.
Vraag: verpakte stoffen die zijn ingedeeld als gevaarlijk, moeten worden geëtiketteerd. Een etiket moet onder andere een zogenaamde product identifier bevatten. Wat is dat en welke eisen gelden er precies?
Met de
product identifier
(productidentificatie in het Nederlands) worden de gegevens bedoeld
waarmee een stof kan worden geïdentificeerd. De gegevens bestaan uit
een naam en een identificatienummer. Als identificatienummer kunnen
worden gebruikt: het CAS-nummer, EG-nummer (het vroegere EINECS- of
ELINCS-nummer) of het Catalogusnummer (bekend als 'indexnummer' in de
oude bijlage I van de Stoffenrichtlijn).
De
product identifier van een stof bestaat ten minste uit het volgende:
- als
de stof in bijlage VI (lijst van geharmoniseerde indelingen) is
opgenomen: een naam en een identificatienummer zoals aldaar vermeld
- als
de stof niet in bijlage VI is opgenomen, maar wel in de inventaris van
indelingen en etiketteringen: een naam en een identificatienummer zoals
vermeld in deze inventaris
- als de stof noch in bijlage VI,
noch in de inventaris is opgenomen: het CAS-nummer en de naam volgens
de nomenclatuur van de IUPAC, of eventueel een andere internationale
chemische naam
- als het CAS-nummer niet beschikbaar is: de naam volgens de IUPAC-nomenclatuur of een andere internationale chemische naam
Bekijk alle CLP-vragen en -antwoorden op
www.vnci.nl/clp
Ook een vraag over CLP?
Neem dan per e-mail contact op met VNCI-stoffensecretaris Dirk van Well
Lees de opinie van de VNCI over CLP