De
chemische industrie wil dat de politiek snel alternatieven voor
dierproeven ontwikkelt, valideert en toelaat. Op die manier kan het
gebruik van proefdieren drastisch teruggedrongen worden. De VNCI heeft
deze boodschap deze week overgebracht aan de Tweede Kamer. Deze
vergadert 24 september over de nieuwe Europese richtlijn voor
dierproeven. Deze richtlijn biedt ruimte voor de gewenste
alternatieven.
De chemische industrie moet
vanwege het REACH-project duizenden chemicaliën testen op hun effect
op mens en omgeving. Dierproeven vormen hier een verplicht onderdeel
van. De industrie en de regelgeving van REACH letten er niettemin op
dat het gebruik van
proefdieren zoveel mogelijk beperkt wordt. Zo zijn bedrijven verplicht
om
beschikbare informatie over stoffen met elkaar te delen.
Als
informatie
over een stof ontbreekt, zijn bedrijven ook verplicht om deze
gezamenlijk
te genereren, zodat een stof maar één keer getest hoeft te worden.
Verder zijn er alternatieven voor dierproeven voorhanden, zoals de beoordeling aan de hand van
modellen en in-vitro-weefseltesten. Overheid, industrie
en wetenschap zijn daarnaast gezamenlijk druk bezig om alternatieve
testmethodes te ontwikkelen.
De
VNCI
pleit in haar boodschap richting de Tweede Kamer niet alleen voor
snelle acceptatie van deze alternatieven, maar wijst
er ook op dat er in Nederland strengere regels voor dierproeven gelden
dan op Europees niveau. Dit maakt het bedrijven in Nederland moeilijk
om voor REACH internationaal samen te werken bij het testen van
stoffen. Daarnaast kan ook het voorstel voor ethische beoordeling van
dierproeven problemen opleveren. De industrie onderschrijft het doel
van dit voorstel, maar vreest dat de huidige formulering ertoe leidt
dat
sommige verplichte REACH-testen in Nederland niet uitgevoerd
mogen worden. In plaats daarvan pleit de VNCI daarom voor een ethische
toets die voor heel Europa geldt.
Gerelateerd:
VNCI: 54 miljoen dierproeven voor REACH overdreven
Lees de opinie van de VNCI over REACH