Sinds 20
januari 2009 is de zogenaamde CLP-verordening van kracht. Deze nieuwe
regelgeving heeft grote gevolgen voor de indeling, etikettering en
verpakking van chemische producten. Om bedrijven te helpen bij de in-
en uitvoering van de nieuwe regels, behandelt de VNCI iedere week één
vraag over dit onderwerp.
Vraag: welke milieuindelingen kent de CLP-verordening voor stoffen?
Antwoord: CLP kent twee voor het milieu relevante gevarenklassen:
- gevaar voor het aquatisch milieu
- gevaar voor de ozonlaag
De eerste gevarenklasse is afkomstig van het wereldwijde
GHS. De tweede is een aanvullende, alleen voor de Europese Unie geldende gevarenklasse.
Een stof wordt ingedeeld in de klasse 'gevaar voor het aquatisch
milieu' op basis van de giftigheid voor in water levende organismen, de
potentie om te bioaccumuleren, en de afbreekbaarheid. Onderscheid wordt
gemaakt tussen stoffen die acuut toxisch zijn voor het aquatisch milieu
(één categorie) en stoffen met chronische toxiciteit voor het aquatisch
milieu (vier categorieën). Hierover vindt u in deze nieuwsbrief
volgende week meer informatie.
Onder 'gevaar voor de ozonlaag' vallen stoffen die op basis van de
beschikbare gegevens over hun eigenschappen en hun voorspelde of
waargenomen gedrag en uiteindelijke plaats en vorm in het milieu een
gevaar kunnen vormen voor de structuur en/of werking van de ozonlaag.
Hieronder vallen de stoffen die zijn opgenomen in bijlage I bij
Verordening (EG) nr. 2037/2000, zoals cfk's, halonen en hcfk's.
Ook een vraag over CLP?
Neem dan per e-mail contact op met VNCI-stoffensecretaris Dirk van Well
VNCI-leden lezen verder over CLP in het bijbehorende dossier op het VNCI-ledennet ->